Body to body massage friesland wijd opengesperde kut

Daar kwam net de vermoeide Guldan aangelopen met de hond Max aan zijn zijde. Of, nou ja, voor zover mogelijk. Het bleek dat de streek rond de rivier in de buurt van het klooster nogal onrustig was. De veerman had geweigerd hen over te zetten in de avonduren en ook in de herberg waar hij overnachtte heerste een sfeer van angst.

Aan de overkant van de rivier was het gevaarlijk, zo vertelde men, er verdwenen mensen. Een handelaar met zijn knecht, die ook in de herberg verbleven, gedroegen zich nogal verdacht.

Ook Max vertrouwde het stel voor geen meter. En terecht zo bleek de volgende dag. Eenmaal aan de overkant werden Guldan en Max aangevallen door een drietal ongure lieden. Het dappere tweetal wist de schurken op de vlucht te jagen maar later zagen ze hen in gezelschap van de handelaar. Met grotere voorzichtigheid ging de zoektocht verder. Guldan ontdekte dat de sporen van Max voor het eerst opdoken vlakbij een stevig luik in een rots.

Dit luik was van buiten niet te openen; er zat geen handgreep en ook geen zichtbaar slot op. Vanaf de rots liepen drie sporen naar een open plek.

Een spoor was van Max, maar wel dieper dan gebruikelijk alsof hij iets op zijn rug droeg. Twee andere sporen waren van kleine mensachtige wezens. De sporen kwamen uit op een open plek, waar grote mensachtigen en hun paarden langere tijd gewacht hadden. Hier was een gevecht geweest tussen Max en de berijders van de paarden terwijl de twee kleine wezens, nu vergezeld door een derde kleine mensachtige, haastig waren weggerend richting het oosten.

Er was een bebloed lichaam weggesleept van de open plek en er lag nog een helm. Guldan herkende de helm als zijnde van de soldaten van Khemme, een land wat al heel lang in oorlog was met het land waar de avonturiers zich bevonden.

De helm was, op een grote deuk na, vrijwel nieuw. De lieden die Max en zijn metgezellen hadden opgewacht hadden hem achtervolgd toen hij, bij wijze van afleidingsmanoeuvre, richting de rivier was gerend. Te paard hadden zij hem ingehaald en er was opnieuw gevochten. Uiteindelijk was Max dan in de rivier gesprongen. Vervolgens volgde Guldan het spoor van de drie kleine wezens. Deze hadden zich een tijdje verborgen in een dicht struikgewas alvorens te vertrekken richting het oosten.

Daar op de weg die uiteindelijk uitkomt bij het grote onderaardse klooster van Themesta, alwaar de nonnen wonen die de aardegodin dienen, raakte Max het spoor kwijt. Guldan besloot naar huis te gaan. Die nacht werd hij door Max gewekt.

Samen slopen ze naar de rand van de weg en ontwaarden daar een vijftal ruiters die weliswaar geen uniform droegen maar zich verder gedroegen als getrainde en gedisciplineerde soldaten. De maan was fel en de hemel helder en ze konden alles prima zien.

Plotseling kwamen er een paar onguur uitziend types het bos aan de overkant uitgelopen. De ruiters hielden hun paarden in, wisselden een aantal woorden met de ongure lieden en vertrokken toen weer in de richting vanwaar ze gekomen waren.

Hierover had Guldan zijn vrienden reeds per brief ingelicht. Maar zo te zien was hem nog geen rust gegund. Met een diepe zucht draaide hij zich om en rende achter Ludwig, Saruman en zijn kever en de dwerg Sigurd aan. Het festival terrein lag even ten zuiden van de Zuidpoort van Tuangith. Het was een gebied dat van oorsprong voor een groot gedeelte omheind was met een manshoge muur. Maar in de loop van de tijd was hier en daar de muur ingestort. Lavinia en Grasshopper renden door de meest noordelijke poort het terrein op waar allerlei lieden bezig waren met het opzetten van tenten en het inrichten van semi permanente kraampjes in voorbereiding van het grote feest dat de volgende ochtend zou beginnen.

Enkele lantaarns verlichtten het pleintje in het midden waar bij het standbeeld van een luit spelende troubadour een bekende figuur zat. Het was de eigenaar van de kroeg in het riool, Kyrian Celerath, die merkwaardige in grijstinten geklede man die zo eigenaardig veel tanden leek te hebben.

Hij was bezig iets te snijden uit een blokje hout. Op zich was het vreemd dat hij hier zat want de reisgenoten waren eerder dan hij uit de stad vertrokken en hij had een langere weg moeten afleggen om hier te komen.

Lavinia had weinig tijd voor de man. Dat maakt zijn voorstellingen altijd zo fantastisch. Een paard springt in de lucht, krijgt vleugels, vliegt een rondje of twee en verandert als hij landt in een eenhoorn. Geen levende dieren nodig. Voorbij het oude theater en het druiden bos aan de andere kant van het terrein. Ietsje later kwam de rest aan. Ook zij stopten even bij de man bij het standbeeld. Hij wilde echter niet zeggen op wie.

De man legde uit waar het circus stond en voegde eraan toe dat het hem verbaasde dat de halfling en de panda monnik dachten dat Kunobertus dieren gevangen hield. Als illusionist had hij die niet nodig. Maar misschien was het een poging om zijn verlies van het jaar daarvoor goed te maken. Toen was bij de laatste voorstelling van het seizoen de bliksem ingeslagen in de tent met als gevolg een dode en zestien gewonden voordat het vuur geblust kon worden.

Dat had hem toen veel geld gekost. De tent was in vlammen opgegaan en hij moest op de pof een nieuwe tent kopen bij de gebroeders Melkor. Voorwaar een dure grap. De reisgenoten bedankten hem en holden in de aangewezen richting, voorbij het druiden bos waar de muur grotendeels was afgebrokkeld. Ondertussen waren de halfling en de panda aangekomen bij het oude theater. Dit theater was aangelegd in een natuurlijke kom in de grond. Helemaal onderaan had zich een grote hoeveelheid water verzameld in de loop van de eeuwen, zodat er een klein meertje was rondom het podium.

De panda stak er zijn staf in en constateerde dat het waterpeil vrij hoog was. Misschien dat hij er nog rechtop kon staan maar Lavinia zeker niet. Een aantal slaperige eendjes dobberden in het water.

Wellicht konden ze via het theater naar het terrein erachter. Op de deur van het gebouwtje hing echter een briefje: Het leek onze helden niet verstandig om het gebouwtje in te gaan en die mening werd gedeeld door de overige leden van de groep die inmiddels waren aangekomen.

Een voor een klommen ze over de muur waarbij de kleinere avonturiers, — en de hond Max-, met behulp van touwen en pure kracht aan de andere kant terecht kwamen. Achter het theater stonden een groot aantal tenten van verschillend formaat en een grote tent in het midden.

Er stonden ook een aantal wagen met merkwaardige kooien aan de zijkant. In de kooien bevond zich een soort melkwitte wolken, maar het was niet duidelijk wat er nog verder in zat. Hier rende Lavinia als eerste naartoe. Eenmaal dichterbij gekomen was nog net te zien dat er in de eerste kooi een soort hert stond. Of stond, het beest had duidelijk te weinig ruimte en moest of op zijn knieen liggen of zijn kop omlaag houden. Het gewei was te hoog om gewoon te staan. Saruman onderzocht de kooi op magie.

De kooi zelf was magisch, zo verklaarde hij, dat wat er in zat niet. Het hert kon dus geen illusie zijn. Zowel Lavinia als Max roken dat het dier niet in orde was.

Het was gewond en de wond was gaan stinken. Dat kon ook niet anders want het stro in de kooi was oud en ranzig en al heel lang niet meer vervangen. De reisgenoten zochten wanhopig naar een manier om de kooi te openen maar er zat geen slot, althans geen slot dat Lavinia met haar vingervlugge handen kon openmaken.

En naast de kooi met het hert stonden er nog een flink aantal anderen. Allemaal met verwaarloosde en zieke dieren.

Haastig rende Lavinia een van de grotere tenten in. Daar verraste ze een kleine gnoom die gekleed was in de gewaden van een tovenaar. Kunobertus had de sleutel en waar hij precies was wist hij niet. Waarschijnlijk in de grote tent.

Lavinia stormde weer naar buiten. Voor de grote tent stonden twee bewapende mannen. Ze kwam niet veel verder dan tot hun middel en toch slaagde ze erin om de twee een stap achteruit te laten doen. Het circus is nog niet open en de baas heeft ons verboden vreemden toe te laten tot de tent.

Briesend dook ze tussen de twee mannen door en glipte zo de tent in. Ze probeerden haar nog tegen te houden maar ze was hen te snel af. Tierend volgden ze haar naar binnen.

De overige leden van onze groep dappere avonturiers aarzelden even voor ze ook naar binnen gingen. Vooral Ludwig vroeg zich af of ze het wel konden maken om zomaar zonder toestemming de circus tent te betreden.

Het gedrag van Lavinia kwam hem wel heel brutaal over. Desondanks besloten ze achter de halfling aan te gaan. Ze eiste op hoge toon dat ze haar vertelden waar Kunobertus was. En plots, zomaar, stak ze een van hen neer. Dat zou met de ander ook gebeuren als hij geen antwoord gaf, zo zei ze. De tweede wachter trok wit weg en herhaalde verschillende malen dat hij niet kon en mocht vertellen waar de baas zich bevond. Lavinia nam hier geen genoegen mee. Geschokt keken de reisgenoten elkaar aan.

Als de baas deze man zoveel angst aanjoeg dat hij liever zelfmoord pleegde dan te vertellen waar deze Kunobertus zich ophield, dan moest het wel een zeer wreed persoon zijn.

Te midden van de nogal slordig neergezette stoeltjes stonden nog vier mannen met een verscheidenheid aan wapens. Dreigend kwamen zij naar onze helden toe.

Dezen konden niet anders dan zichzelf verdedigen en al gauw was het zand in de tent rood van het bloed. Maar Kunobertus was nog steeds nergens te vinden. Guldan keek eens goed naar de hond Max. Elke haar op de rug van de hond stond recht overeind en hij keek strak naar een bepaalde plek op de grond. Het beest gromde zachtjes. Daar beneden moest iets zijn.

Na enig zoekwerk werd een stenen luik gevonden. Het slot erop was niet eens zo moeilijk maar toch had Lavinia het geduld er niet voor. Ze pakte haar altijd scherpe dolk en sneed het luik los. Dat maakte het echter alleen maar moeilijker om het luik op te tillen, zo zonder scharnieren. Met gezamenlijke inspanning lukte het dan toch en er werd een gang naar beneden gevonden met een metalen ladder. Aangezien honden nu eenmaal niet zo goed trap kunnen lopen bleef Max boven de wacht houden terwijl de rest de duisternis in klom.

Ze kwamen terecht in een donkere ruimte met een enkeldiepe voor gemiddelde wezens dan, he laag water op de bodem. Lavinia zette haar blauwe brilletje op en zag helemaal niets.

Sigurd de dwerg, die onder de grond toch altijd nog wat zag, zag eveneens geen hand voor ogen. Net zomin als de panda die toch ook normaal gesproken best wat kon zien in het donker.

De lantaarn van Guldan, het lampje van Ludwig, een spreuk die licht moest veroorzaken, het had allemaal geen enkel effect. Het was donker en het bleef donker. Zelfs de kever was in opperste verwarring. Dit had het arme beest nog nooit meegemaakt.

Dan maar voetje voor voetje door het water. Ludwig had nog het briljante idee om een touw vast te binden rond zijn middel, dan zou hij achterblijven bij de weg omhoog en konden de anderen de ruimte verkennen zonder hopeloos te verdwalen.

Saruman en de arme kever, die een grote hekel had aan water, bleven bij hem. Lavinia ging voorop en stuitte al gauw op een traliehek. Het hek was op slot maar in het pikkedonker was niet goed te ontdekken waar dat slot dan was. Dan maar een gat snijden in de tralies. In eerste instantie deed ze dat op halfling hoogte waarop de panda monnik die haar volgde prompt zijn hoofd stootte.

Op zijn dringend en gefluisterd verzoek keerde ze terug op haar schreden en werd door hem opgetild om het gat te vergroten zodat ook degenen die langer waren dan vijfenzeventig centimeter iedereen dus zonder problemen erdoorheen kon. Was het de python die uit het pakhuis ontsnapt was? Erg groot kon het beest niet zijn, maar toch… Ergens in een hoek van het donkere gangenstelsel klonk geluid. Bij gebrek aan betere aanwijzingen gingen de avonturiers daar maar naar toe.

Puur op de tast vonden ze een kamer waarbinnen iemand sprak in een taal die ze niet direct herkenden. En zo kwamen ze bij een metalen deur. Achter die deur moest het zijn. Opnieuw deed Lavinia geen enkele poging om de deur op een normale manier te openen. Nu was het ook nog steeds intens donker, en om een slot open te peuteren heb je toch tenminste wat licht nodig.

En dus stak ze haar dolk maar weer in het metaal. Een onzichtbare, maar wel zeer voelbare vonk sprong uit de deur en trof niet alleen Lavinia maar ook degenen die vlak naast haar stonden.

En nog een vonk, en nog een. He, werd het nou lichter? De onnatuurlijke duisternis week en verderop werden Saruman en Ludwig bijna verblind door het plotselinge licht van de lamp. Ze aarzelden geen moment en renden naar hun kameraden. Net op tijd om de deur te zien openen en een woeste halfling naar binnen te zien stormen. Op de voet gevolgd door een enigszins bezorgde dwerg.

Deze bleef overigens vrijwel meteen weer staan. Een groot deel van de kamer werd namelijk geblokkeerd door een krokodil met wijd opengesperde bek. In een hoek van de kamer stond een in fel rode gewaden geklede figuur. Dit moest Kunobertus de Rode zijn! Een kwaadaardige grijns verscheen op zijn gezicht terwijl hij aan een ring draaide die hij om zijn vinger droeg. Magische projectielen schoten uit de ring richting de helden.

De beperkte ruimte en het feit dat niet iedereen tegelijk door de deur paste, leverden wat problemen op met manoeuvreren. Bovendien lag de krokodil akelig in de weg. En waarom rook deze ruimte ineens naar gebakken brood? En zwavel en pepermunt? Het merkwaardige was ook dat ze niet een keer mens Kunobertus en een keer reptiel de krokodil rook maar twee keer reptiel. Hier klopte iets niet. Ze probeerde contact te leggen met de krokodil en merkte dat de geest van het beest niet geheel de zijne was.

Of beter gezegd, de hare, want het was een vrouwtje. Angst, woede en verwarring regeerden in de geest van de krokodil. En misschien in de verte, het idee dat deze vorm niet de hare was. Guldan de dienaar van de Vierde Broeder had op zijn reizen een paar nieuwe spreuken geleerd. Hij probeerde er vol trots een uit. Deze spreuk moest er voorzorgen dat de tovenaar Kunobertus niet meer zou bewegen.

Maar op de een of andere manier werkte hij niet. Het was alsof de spreuk ergens door afgekaatst werd. Desondanks slaagden de helden erin om Kunobertus een paar flinke klappen re bezorgen, onder andere omdat het Sigurd lukte om over de krokodil heen te klimmen buiten bereik van de vervaarlijke kaken van het dier.

De tovenaar zag ook zelf in dat het de verkeerde kant uitging en greep een amulet dat om zijn hals hing. En daarop een leegte waar de rode tovenaar had gestaan. Alleen de krokodil bleef, bloedend en wel, over.

Lavinia probeerde de krokodil te kalmeren en al gauw verscheen er het beeld van een kistje in haar hoofd. Met in het kistje een steen. Het beest scheen te denken dat het belangrijk was. De kleine kamer werd onderzocht en inderdaad vond men een klein houten kistje. In het kistje lag een barnsteen en in die barnsteen zat iets. Het was een piepklein groen figuurtje.

Maar wat ze daarmee moesten? De krokodil raakte de steen aan met haar snuit en vreemd genoeg roken de vrienden daarop de geur van citroenen. Waar kwam dat toch vandaan?

Tijdens het gevecht hadden ze ook al rare dingen geroken; gebakken brood, zwavel, pepermunt en nu dus citroen. Misschien konden ze de steen openbreken?

De krokodil leek dat een prima idee te vinden. Heel voorzichtig pelde de halfling laagje voor laagje van de steen totdat met een kleine tik van een hamertje dat Sigurd toevallig bij zich had in zijn kistje met reparatie werktuigen de steen opensprong.

En daar stond in haar plaats een vreemd uitziend wezen. Het was duidelijk nog steeds een soort reptiel maar dan met mensachtige vormen en een lichtgele tuniek. Ze probeerden met haar te praten maar het enige resultaat was een steeds intenser wordende lucht van citroenen. Alleen Lavinia hoorde een zeer hoge stem die maar bleef herhalen: In deze zat een blauwe gedaante.

Nadat ook deze gepeld en gekraakt was verscheen een lange, magere magier in een blauw gewaad. Hij stelde zich voor als Rudolphus, een assistent van Kunobertus. Lavinia trok al meteen haar dolk. Ze werd tegengehouden door haar vrienden die wel eens wilden weten wat er aan de hand was. Hij deed voornamelijk illusies van eenhoorns en zo.

Afgelopen winter waren ze zoals ze dat altijd deden naar het graafschap Myres gegaan met het circus. Ze hadden dringend geld nodig na de brand in hun circus tent dus toen een edelman uit het Noorden had gevraagd om eens te komen praten over een prive voorstelling tijdens het grote Eindejaarsfeest had Kunobertus daar van harte mee ingestemd.

Toen later die avond de rode tovenaar terug kwam en Rudolphus hem had gevraagd hoe het gegaan was had zijn baas een voor hem onbekende spreuk uitgesproken waarna alles om hem heen zwart werd. Het eerste wat hij vervolgens wist was dat hij plotseling hier was. Wat er in de tussentijd was gebeurd was hem onbekend. Dan bleef natuurlijk de vraag: Ze zei tegen Lavinia, die de enige was die haar kon horen, dat de rode tovenaar onder het water was, onder het oude theater.

En zo verlieten de avonturiers de onderaardse ruimte zonder die verder te plundere… ehhh onderzoeken , haalden de ongerust uitziende Max op en togen naar het theater. Saruman vroeg nog dringend om even te wachten totdat hij weer nieuwe spreuken had geleerd, maar dat geduld konden Lavinia en Grasshopper niet opbrengen.

Ze moesten Kunobertus vinden, die immers de sleutel had van de kooien waar de verwaarloosde dieren inzaten. En dan hadden ze nog een hartig woordje met hem te bespreken.

De blauwe illusionist kende nog een aantal spreuken die drie van hen in staat stelde om een tijdlang onder water adem te halen. En de groene mensachtige had een paar platte parels in een doosje.

Met enig kunst en vliegwerk en wat gebarentaal werd duidelijk dat ook deze parels de gave hadden om lieden onder water te laten ademen. Vijf van de helden doken het niet al te frisse water in. Saruman en zijn kever, de blauwe tovenaar en de groene reptielvrouw bleven achter bij Max aan de rand van de waterplas.

In de donkere diepte van de poel bleek een doorgang naar een onderaardse gang die vol met water stond. Na met moeite een deur te hebben geopend kwamen ze in nog een gang. Grasshopper meldde dat er hier twee hagedisachtige wezens stonden. De spreuk gaf hem kennelijk ook de gave om onder water te praten. Ludwig geloofde hem op zijn woord. Zonder licht, en zijn lamp deed het natuurlijk ook niet onderwater, zag hij geen hand voor ogen, laat staan een hagedis.

Even probeerden ze het nog met diplomatie. Of wat er voor moest doorgaan. Het waren stevige tegenstanders en het water hinderde hun bewegingen maar desondanks wisten de helden de twee te verslaan. De volgende deur opende naar binnen.

Deze ruimte was nog droog, maar het water achter hen spoelde niet alleen onze helden naar binnen maar vulde de kamer ook gedeeltelijk met water. Gelukkig was er nu de mogelijkheid om rechtop te staan en lucht te ademen in plaats van water. Ook deze ruimte was donker maar een vreemd soort begroeiing algen? Zo stond Ludwig tenminste niet in het pikkedonker. Maar veel tijd om adem te halen hadden ze niet; vier hagedis mensen vielen hen aan. En nu bleek dat die rare speren een soort van bliksem afgaven die je lelijk kon verwonden.

Het gevecht was fel en kort en liet de vijf avonturiers buiten adem achter. Max was inmiddels in slaap gevallen nadat hem verboden was om achter de eendjes aan te jagen. Saruman en Rudolphus wisselden wat spreuken uit en gingen toen maar eens de kooien goed onderzoeken. De ene kooi na de andere bevatte verwaarloosde en gewonde dieren. Er waren beren en een grote gestippelde kat. Een kooi bevatte drie wolven en een volgende werd bewoond door een wel heel grote wolf.

De laatste kooi bevatte een das die erin slaagde om er tegelijkerijd zielig en woedend uit te zien. Een kamer was uitgedost in overdadige rood tinten. Mooi rood is niet lelijk en ik zal de laatste zijn die bezwaar heeft tegen wat rode accenten in een kamer maar dit leek eerder op een bordeel.

Kamer voor kamer werd onderzocht en in de kamer waar een merkwaardig boek werd aangetroffen, geschreven in een taal die niemand herkende, en een brief in dezelfde taal, werd opnieuw een barnsteen met inhoud gevonden.

Toen ook deze werd opengepeld en de bewoner ervan op de grond duikelde werd het Lavinia rood voor ogen. Ze sprong naar voren en stak de man in zijn zij voordat hij wist wat er gebeurd. Ik ben maar een onschuldige illusionist! Bovendien kwam ook hij uit een barnsteen, net als de blauwe tovenaar en de reptielvrouw, dus misschien had hij wel niets te maken met de verwaarloosde dieren en de kwaadaardige hagedis mensen.

Hij greep de halfling vast en sleurde haar lijfelijk bij de rode tovenaar vandaan. Guldan ondervroeg de man. Kunobertus ontkende iets te maken te hebben met de dieren in de kooien of de dierenhuiden in het pakhuis van Melkor.

Waarom zou hij echte dieren gebruiken in zijn circus als hij met illusies zoveel meer kon doen. Bovendien was hij vegetarier. Uit overtuiging, omdat hij dieren geen kwaad wilde doen.

Afgelopen winter was hij met zijn circus naar het Noorden gereisd, naar Myres, zoals gebruikelijk. Diederich van Comau, een jongere neef van de Graaf van Myres en voormalig zwager van de zus van de vermoorde koning van Ynosta, het land waar onze helden zich bevonden , had hem uitgenodigd op zijn kasteel om te praten over een prive voorstelling tijdens het Eindejaarsfeest. En dat aanbod zou hij met beide handen aangenomen hebben. Maar daar kreeg hij de kans niet voor. Zodra hij de kamer waar de edelman zich bevond was binnengetreden had een vreemd uitziende magier hem betoverd.

En nu pas had hij zijn vrijheid herwonnen. Wat er in de tussentijd was gebeurd daar had hij geen idee van. Ondertussen genas Guldan de wond in de zij van de tovenaar. Met enige voorzichtigheid openden ze de laatste kamer. Hier bevonden zich twee hagedis mensen met speer, een wat kleinere hagedismens in een bruin gewaad en een figuur die de tweelingbroer van Kunobertus had kunnen zijn.

Kunobertus bezwoer hen dat hij enig kind was. Maar voordat wie dan ook maar een stap kon zetten gebeurde er iets totaal onverwachts. De geur van de rode tovenaar in de hoek was dezelfde als die van de man in de kelder onder het circus en dit veroorzaakte een heftige reactie bij de halfling rogue.

Haar gezicht vervormde en werd een grommende wolvensnuit en haar handen en voeten veranderden in klauwen. Ze was een weerwolf geworden! Woest sprong ze op de rode gedaante af. Al het andere was nu niet relevant. Haar vrienden waren natuurlijk in meer of mindere mate geschokt door de gedaanteverandering van de jonge halfling vrouw, hoewel het wel een en ander verklaarde over haar gedrag.

Veel tijd om er over na te denken hadden ze echter niet want de andere aanwezigen in de kamer vielen hen aan. Guldan probeerde opnieuw een van zijn nieuwste spreuken. Met deze bezwering had hij Ludwig de kracht van een stier willen geven, maar er ging iets mis. Zijn eigen hoofd veranderde in dat van een stier en een tijdlang was hij niet in staat om te spreken.

Met vereende krachten wisten de reisgenoten de hagedismensen te verslaan terwijl Lavinia als weerwolf de tweede, valse Kunobertus in stukken scheurde. Er bleef niet veel van hem over. En toen hij eenmaal dood was veranderde zijn lijk, wat ervan over was tenminste, in een hagedis mens. Kunobertus de echte werd er bij gehaald om de hagedismensen te identificeren.

Hij herkende ze als zijnde Kuo Toa. Dit was een roofzuchtig volk dat onder de zee leefde en alles opvrat wat ze tegenkwamen. Ze konden ook boven water leven, maar dan gaven ze de voorkeur aan moerassen.

Wat ze hier kwamen doen daar had hij geen idee van. Op het lijk van de hagedisman die Lavinia zo vakkundig gefileerd had vonden ze, behalve een amulet dat Kunobertus herkende als zijnde zijn eigendom, hij gebruikte het om in en uit de circus tent te teleporteren tijdens voorstellingen een rode, gegraveerde steen.

Het was de steen die normaal in een van de ringen van Kunobertus had gezeten. Dit was de sleutel tot de kooien, legde Kunobertus uit. En via een geheime deur, achter de illusie van een open haard konden ze makkelijk weer naar buiten.

Nadat Lavinia weer teruggekeerd was in haar halfling vorm gingen de reisgenoten naar buiten. Daar kwamen ze vlak naast de circustent weer boven. Als eerste bevrijdden ze de dieren in de kooien. De gestippelde kat was bijzonder geirriteerd en de wolven begroetten de halfling als een vriend.

Maar de grote wolf in de op een na laatste kooi deed iets onverwachts. Zij, een zwanger vrouwtje, veranderde toen de kooi zich opende op exact dezelfde wijze als Lavinia kort daarvoor, van wolf naar mens. Ook zij was een weerwolf. Ze bevatten werk van Van Geel, maar ook recensies over zijn werk.

Bij de verschijning van Spinroc zijn er veel recensenten die een verklaring proberen te zoeken voor het feit dat de debutant niet jong is. Er staat ook dat ik gewacht heb met publiceren tot ik net zo ver was als mijn generatiegenoten.

Ik zou willen vragen: Heb ik het heus niet verder gebracht? Ik ben door mijn zwijgen en afzondering zelfs aan wie rond ' '20 geboren zijn onthecht.

Ik voel me meer verwant aan Nescio en Kemp dan aan de jongens en meisjes die met mij op school hebben kunnen zitten. Een oude heer dus. In werkte hij mee aan vier groepsgedichten in het tijdschrift De Schoone Zakdoek. In publiceerde hij gedichten in het boekverkopersblad De Weegschaal van uitgeverij West-Friesland en in een bloemlezing voor het onderwijs van dezelfde uitgever.

Uit het archief blijkt dat Van Geel al in de Tweede Wereldoorlog plannen had voor een bundel. De Zaanse drukker en latere uitgever Klaas Woudt schrijft hem op 20 oktober een inmiddels door brand, water en ouderdom slecht leesbare brief: Natuurlijk wil ik Uw bundeltje verzorgen.

De enige voorwaarde is dat U geen onmenschlijk groot formaat ervoor kiest; mijn degelpers verwerkt slechts de kleinere formaten. Is er een mogelijkheid dat U naar Zaandijk komt om Uw wensen omtrent de uitvoering van de bundel te bespreken en om de tekst, ook de titel en het colophon, te brengen? Per brief wordt dat een eindeloos heen-en-weer geschrijf. Deze bundel is nooit verschenen. In hetzelfde jaar als zijn publicatie in Criterium heeft hij een of hetzelfde?

Wij vinden het voor De Baanbreker minder geschikt. En in blijkt Van Geel nog een poging ondernomen te hebben bij Libertinage, een volgend tijdschrift van Van Oorschot. In de brief beschrijft Van Geel zijn schroom na het publiceren van Twee fragmenten uit: Bij het graf van een Atties meisje in Criterium: Gaarne zag ik bijgaande gedichten in uw tijdschrift opgenomen. Ik doe u dit verzoek na langdurige overweging, niet slechts omdat ik tot mijn spijt overhaast met slecht werk in Criterium debuteerde, maar ook uit een behoefte tot verschuilen, tot niet meedoen, ben ik huiverig voor publicatie.

Het hoofdzakelijk maatschappelijk nut dat publicatie voor me kan hebben, deed mij echter uitzien naar een tijdschrift van onze generatie, waar nog enige verwantschap mee te voelen is. De bedoelingen van Libertinage nu trokken me. Misschien vindt u van uw kant iets in dit werk? Deze bundel, Tussen seizoenen, is door Van Geel teruggetrokken omdat hij er niet meer achter.

Ik had intussen veranderingen in de gedichten aangebracht, de vorm was achterhaald, vertelde hij in aan Ivan Sitniakowsky. De aanloop was al problematisch genoeg.

Van Geel had met moeite het fiat van Van Oorschot, de uitgever van zijn pas verschenen bundel, gekregen. Johan Polak, tussenpersoon tussen uitgeverij Boucher en Van Geel, noemt Van Oorschot wat imperialistisch voor zijn uitgaven. Begrijp mij goed, schrijft hij op 18 november , Ik voel mij aan Polak verplicht in verband met dat Nieuwe Voorhout-boekje.

Denk jij echter - ik kan dat inderdaad niet overzien hier in mijn uithoek - dat het verkeerd is, schrijf me dat dan. Ik hou de inzending nog vast. Zeg nu niet dat je me niet moreel kan dwingen of iets dergelijks. Ik voel me beslist niet onderhorig aan je, maar het kan gewoon practisch een verkeerde zet zijn. Zeg dat dan, want, als gezegd, ik heb daar geen verstand van.

Van Oorschot antwoordde hem in een brief van 1 december waarin hij even orde [wil] stellen op de zakelijke kant van onze relatie: Ik vind het niet verstandig dat je je boekje bij Polak uitgeeft en ook niet dat je in andere bladen gedichten publiceert.

De solidariteit tussen uitgever en schrijver moet m. Dat is zakelijk alleen maar verstandig. Maar behalve zakelijk is het ook, althans voor mij een bron van vreugde. Ik begrijp natuurlijk volkomen hoe je door maatschappelijke omstandigheden gedwongen was het boekje bij Polak uit te geven.

Na veel heen-en-weergeschrijf tussen Polak en Van Geel was de bundel samengesteld en ontving Van Geel een drukproef. Op 18 november schrijft hij aan Polak: Even snel een protest tegen de pretentieuze opmaak van Tussen Seizoenen: Een juwelen etalage of een voor dure parfums.

Iemand vertelde mij eens in een exclusieve parfumerie in Parijs één lippenstift in het midden van een witfluwelen etalage te hebben zien staan, meer niet. Ik berust evenwel bij voorbaat, om niet nog meer oponthoud te brengen.

Staat er achterin het boekje iets over de boekverzorging, zodat de schrijver zijn handen in onschuld wassen kan?

Ik heb altijd gehouden van een minuskuul letter en een onder-elkaar-druk o. Nu schrik ik natuurlijk van het opgepoetste, zo niet opgeklopte. Je kunt het valse bescheidenheid noemen maar hinderlijk blijft het voor wie zich een leerling voelt in de school der poëzie.

Begrijp goed, het is geen verwijt, maar het vaststellen van een ander standpunt. Een druk als deze acht ik alleen geschikt voor de 20 of 30 meesterwerken van de reeds oudere auteur. Een ongewend zijn aan luxe speelt bij mij natuurlijk ook mee.

Op de achterkant van zijn kladbrief krabbelde hij nog: Zou ik het vooruit hebben geweten, dan zou er hier en daar een getekende vogel de bladzij benut kunnen hebben. Komt er een colophon achterin? Dat zou de aandacht van de auteur iets afleiden. Zal de lezer niet denken dat de helft van de tekst eruit gevallen is? Een kwestie waarover hij, overigens, een klein jaar later precies het tegengestelde beweert in een brief van 14 augustus aan Van Oorschot: Ieder vers op een aparte bladzij lijkt me heel gewoon.

Niet dus onder elkaar als de verzen van D. Het wit is een taal! Gedemonteerde horloges liggen bij iedere horlogemaker apart, soms ook onder een omgekeerd glas zonder voet. Gedichten moeten de ruimte hebben om gedemonteerd te kunnen worden voor wie daar plezier aan beleeft. Na een sussende brief van L. Boucher over de pretentieuze opmaak is het eerste teruggevonden alarmerende briefje van Van Geel aan Polak van 20 juni Kan je binnenkort eens aankomen?

Ik moet ernstig [doorgestreept] met je spreken over Tussen Seizoenen. Kan je niet, dan zal ik naar jou toekomen. In een volgende brief aan Polak van 28 september blijkt de beslissing tot vernietiging van de oplage al genomen te zijn: Mooi dat de vernietiging kan aanvangen. Ik zal er werk van maken zodra ik even vrij ben, in die tentoonstelling verdrink ik.

Ook werk maken van verzekering van vernietiging. Hoe verkrijg ik die? Ik verbrand ze liever zelf - kom je er aan warmen!

De cirkel is rond als uit het archief blijkt dat Van Geel aan Van Oorschot op dezelfde dag heeft geschreven: Van Polak kreeg ik bericht dat Boucher hem het voorstel gedaan had de oplage van Tussen Seizoenen te vernietigen. Je weet nog dat ik de uitgave wilde intrekken, dat Polak dit ook wilde, op andere gronden, nl. Hoe verkrijg ik de zekerheid dat de zaak werkelijk vernietigd wordt? De exemplaren heb ik hier, maak ik er deze winter de kachel mee aan, dan weet ik zeker dat ze uit de wereld zijn.

Van Oorschot antwoordt op 1 oktober dat Boucher in dit opzicht volledig te vertrouwen is. Buitenstaander en sleutelfiguur Zo zijn er zaken die door het archief iets duidelijker gemaakt kunnen worden, maar in het geval van de teruggetrokken bundel Tussen seizoenen ontbreekt helaas het definitieve besluit.

In het archief zijn vele plannen en dromen, ontstaansgeschiedenissen en mislukkingen, zakelijke en vriendschappelijke relaties op de voet te volgen. Door de brand is het willekeurig wat er is overgebleven, maar uit wat er rest komt een duidelijk beeld naar voren van Chris van Geel; de dichter die ook beeldend kunstenaar was; de voor de kunst en altijd in geldgebrek levende dichter; de hardwerkende, precieze dichter die als een buitenstaander naar de rest van de wereld keek, maar die door zijn verbondenheid met verschillende kunsten en verschillende generaties als een sleutelfiguur in de kunst van de twintigste eeuw beschouwd kan worden.

Jan Hanlo Brieven red. Ser Prop et al Amsterdam deel I. Het archief van Hermans is helaas slechts sporadisch voor onderzoekers toegankelijk. Een gedicht moet veel wit hebben. Algemeen Handelsblad 23 november Grönloh, alias Nescio, en Chr. Daar zijn verscheidene redenen voor. Grönloh was liefst 35 jaar ouder dan Van Geel. Hij had qua leeftijd diens vader kunnen zijn.

Toen zij elkaar in te Amsterdam leerden kennen in de studentenwoning aan de Nieuwmarkt van Enno Endt en diens toenmalige vriendin Toos Pechmann-Noach, een kennis van Grönlohs dochter Miep, bezat Nescio reeds decennia lang een legendarische reputatie in de literatuur. Van Geel daarentegen was nagenoeg onbekend; hij had een paar gedichten gepubliceerd in een tweetal tijdschriften en ooit een aanprijzend essay over het surrealisme.

Nescio en het surrealisme zijn onverenigbare fenomenen. De adoratie, als ik het zo mag noemen, van de Forum-voormannen liet de schrijver van de Titaantjes langs zich afglijden. Een poging tot persoonlijk contact van Ter Braak wimpelde hij af met een excuus in de trant van aan mij valt niets te beleven. Vestdijk, Bordewijk, al die grote namen, hij kreeg hun boeken niet eens uit. Daar begint de connectie tussen beiden. Toen hij door Jan Geurt Gaarlandt in werd benaderd in verband met een speciaal aan hem te wijden nummer van het tijdschrift Raam, stelde hij ironisch voor: De figuur van de vergeten dichter behoort tot de geïdealiseerde romantische voorstellingen omtrent het kunstenaarschap.

Hij schreef de biografie van Menno ter Braak 2 dln , en in verscheen van zijn hand Een misverstand om in te geloven. De poëzie van M. Thans werkt hij aan een levensbeschrijving van Piet Mondriaan. En Van Geel had trouwens nog een tweede carrière als beeldend kunstenaar, wat Grönloh hem niet kon nazeggen. Maar de onwil zich literatuurhistorisch onder één noemer te laten brengen, schiep een band tussen Van Geel en Grönloh. De laatstgenoemde liet Van Geel als een van de weinigen uit de literatuur toe tot zijn vriendenkring.

Verbondenheid Jan Geurt Gaarlandt begrijpt de verbondenheid tussen beiden in termen van een frappante sfeerovereenkomst in de natuurbeschrijvingen en natuurbeleving.

Veel van wat Nescio in proza zegt is bij Van Geel poëzie geworden. In zijn brieven aan de man die hij steeds als Beste mijnheer Grönloh bleef aanspreken terwijl deze met amice repliceerde , is de bijzondere vriendschap te volgen.

De eerste bewaard gebleven brief is van Nescio, gestuurd op 10 september met een geschenk voor Van Geels 35ste verjaardag: Ik heb toen gezegd, dat als ik het geweten had, ik een boekje zou hebben meegebracht.

Hier is het dan. Ik heb nu een paar maal aan het Kinselmeertje gezeten bij de wilgen. In het bijgevoegde gedicht zijn de natuurwaarnemingen uit de brief vervolgens tot poëzie geworden. De dichtregel altijd het zelfde in een ander vergezicht, tot titel van deze publicatie gekozen, lijkt een zinspeling op Nescio's motief 't is God zelf die steeds in herhalingen vervalt. Een paar regels wilden niet zo gauw lukken en dan gaan er gauw een paar dagen mee heen.

Ook had ik het druk met allerlei kwesties meisjes. Ik was wel drie dagen jarig: In Hoorn was het fijn met een uitzicht op het Hoornse Hop zoals we hier in Groet, waar het toch ook wijd is, niet kennen. Die strook land met vage boompjes en torentjes als einder! En een lucht, haast niet echt meer, zo, van 't uiterste hemelgewelf tot aan de horizon en de weerspiegeling in het water, één, onmerkbaar veranderend, stil geheel.

Zo monumentaal als de mooiste huisjes uit de 17de eeuw. Het past prachtig bij elkaar. Van Enkhuizen wist ik dit al. Gaver en echter in Morpheus' armen, meen ik. Die zee, zeien ze, die gaan ze dempen. Daar had ik meer van gehoord, maar nooit oog in oog met de veroordeelde. Heemschutters ik sprak er een paar vergallen je het genieten: Men gaat door hun liefde, het liefst huilend door waar het nog leuk is.

In de buurt van Bontekoe's vader's graf, 11 in een Saenredamse kerk, las ik: Laat hem lopen die lopen lust - mijn tijt is verlopen - ick legh in rust. Dan kom ik aan, als het schikt, dàg, Chris Dank-woord aan Nescio en zijn vrouw voor hun verjaardagsgeschenk '52 13 Vertedering zag ik in bokkesprongen vluchten, zichzelf verwonderend ontwijken' in een gedicht: Ik ken maar één boeket dat ik zou willen schenken als het te schenken en Uw klein hof ruimer was:.

Observaties Zij herkennen elkaar waarschijnlijk ook in hun observaties en ergernissen. Grönloh aan Van Geel op 26 maart Hij heeft geen plaats genoeg voor nog meer schilderijen en beeldhouwwerken van allemaal hoepels en kachelpijpen door elkaar. Ook die populieren hebben ze omgehakt ze komen voor in Een lange dag. We zijn zoo erg cultureel. Vincent van Gogh is ook eerst uitgelachen.

Aan al die genieën van vroeger die terecht vergeten zijn herinneren ze ons maar liever niet. Waarop Van Geel hem antwoordt: Bedankt voor uw brief vol nieuws over de treurigste verminking van tuinen bomen, al prijzen reikend aan koster en hangruimte scheppend voor wie, weer op een andere wijze, zijn ziel doet hoepelen zonder de kachel de pablaten? De ribes mag gerust reeds, rood en rose en groen, ontbot genoemd worden.

Hij legde hem de achtergronden uit van Uren met Dirk Coster van E. En òf dat honend bedoeld is, die Uren met Dirk Coster! Vlak voor de oorlog liet du P. Vandaar de zeldzaamheid wellicht van het geschrift. Ik kan U de niet hoog genoeg te schatten du P. Buiten dit boek zult ge U steeds vermaken om de slachtingen van Coster en Kosterlijken. Voorts hebben we een aanmoedigingsprijs toegekend aan Dirk Coster.

Dat ontbrak er nog maar net aan. Dezelfde aanmoedigingsprijs, ook wel bekend. Dacht U ook niet dat die Dirk Coster reeds 20 jaar geleden gestorven was door de Uren die du Perron aan hem besteedde?

Een brief van Van Geel aan Enno Endt van 30 augustus , waarin hij over zijn contact met Nescio rapporteert, bevat ook een uitval naar Coster: Nescio zendt mij met gelijke post erepromotie Dirk Coster - promotor Donkersloot.

De heren waar E. Grönloh, wordt door Van Geelkenners opgemaakt dat hij Grönloh nog bóven Du Perron plaatste, aan wiens nagedachtenis pas de derde bundel Het zinrijk is opgedragen. Cornips, aan wie derhalve het primaat toekomt. Andere literaire zaken komen in hun briefwisseling ook aan de orde. Zo merkt Van Geel op: Hierbij een kattebelletje en een Kronkel-knipsel met een pluim van Van het Reve.

Mag ik het terugontvangen, het aardige stukje? Ik mag hem graag, Van het Reve, al houdt hij een onbegrijpelijke hand boven Hermans, in wie ik niks zie. Er bestaat op het ogenblik geen echt Nederlands proza en geen echte Nederlandse prozatraditie. Hermans uitzonder, zijn er na Couperus en Nescio eigenlijk geen schrijvers meer opgestaan, met wie het de moeite waard is je te meten.

De van het Reve-kronkel heb ik nu dubbel. Ik sluit hem in voor het archief, afdeling: Schrijven kan dat vreemde ventje overigens goed, wat je niet van ieder vreemd ventje kan zeggen. Neem die andere vreemdeling, Roland Holst, is 't niet onleesbaar, dat proza? Als de een schrijft als een mol, de ander schrijft als een meeuw.

De plus en plus étrange. De Postbox vertalers 26 zullen een kluif aan de Uitvreter hebben; alleen al de titel doet ze knarsetanden, denk ik. Zo vergaat het de watertanders. Toen Van Geel Grönloh naar het model voor de Uitvreter had gevraagd, antwoordde die: De naam Schilperoort is mij al eens meer genoemd, maar ik ken hem niet.

Niemand heeft trouwens model gestaan voor de Uitvreter. Grönloh op het water nabij Zijpersloot, foto Johan Rädecker. Vriendschap De vriendschap Grönloh-Van Geel is in de eerste plaats een literaire geweest zoals de brieven met name die van Van Geel ook tonen, slechts bij uitzondering was Van Geel deelgenoot van de tochten die Grönloh in de natuur maakte. Zo'n uitzondering was die fietstocht die zij op 2 augustus , helemaal in het begin van hun vriendschap maakten, vergezeld door de beeldhouwer Johan Hanny Rädecker , van Groet over Schoorldam naar Warmenhuizen.

Bij die gelegenheid is, door Rädecker, de enige foto gemaakt die van beide schrijvers samen bewaard is gebleven. Op eerste paasdag stuurde Van Geel een afdruk van deze opname naar Enno Endt met een commentaar waarin hij aan de watersnoodramp van dat jaar refereerde: Beste Enno, Hierbij de foto van de twee bij de ramp vergetenen, die, in een filosofisch gesprek gewikkeld, de dingen wachten die komen zullen.

Het zich met het zitvlak op het element water bevinden, prikkelt de zinnen van sommige lieden: Het is vandaag bizonder stil, strak weer. Ook vannacht was het dat. Voor mij een slapeloze nacht, ook al omdat heimwee tevergeefs mijn aandacht spande.

Ik kom haar eens la-. Ik bel dan vooraf op. Haar verschijnen is ook de oorzaak van mijn laat antwoord.

In de zomer huurden zij in de omgeving ook wel eens een eigen huisje. De afspraken wanneer te komen, keren dan ook steeds terug in de briefwisseling. Tijdens een vakantie in Limburg, mei schrijft Grönloh een ansichtkaart, 35 in de stijl die we kennen uit zijn Natuurdagboek: Ik heb vandaag van Eindhoven een vluchtig uitstapje kunnen maken.

Maastricht Gulpen Ubbachsberg, Heerlen Maastricht. Ik grossier in bloeiende panorama's. Et tout d'un coup, d'un fol éclat, s'en va mon coeur. Ja en nou zou ik graag weer eens met jullie praten. Maar hoe moet ik dat doen.

Het is nog heel onzeker of we dit jaar naar Groet komen en zooja, dan zal dat waarschijnlijk niet voor lang zijn. Nou wil ik graag eens voor een dag naar Groet komen maar als ik onverwacht kom zijn jullie uit en onvindbaar en dan loop ik daar in dat Groet. Maak ik een schriftelijke afspraak bij mooi weer dan zal t stortregenen als ik moet gaan en dat is ook nix. Ik heb misschien een werkje voor Thérèse. U bent te kort gebleven in Groet. We behielden een onbehagelijk gevoel van onvoltooidheid 41 Een bijzondere blijk van vriendschap is een klein Sinterklaasgedichtje dat Van Geel en Thérèse Cornips in aan Grönloh en zijn vrouw stuurden: Sint zendt zijn beste wensen.

Sint laat u hart'lijk groeten Grönloh wordt in januari getroffen door een beroerte en herstelt moeizaam. De briefwisseling wordt minder intensief en de bezoeken aan Groet zijn niet frequent. Wat had ik in lang niets van je gehoord! Ik ben nog maar een half mensch. Ik wandel hoogstens 3 KM per dag en je ziet ook het schrijven gaat nog maar stumperig.

Ik moet nog veel rusten. Beste mijnheer en mevrouw Grönloh, zeer hartelijk gelukgewenst met de verjaardag. Is Boven het Dal naar zin uitgegeven? Als er een komt die U bepaald niet bevalt, zou ik wel willen weten waarin deze verscheen en wanneer? Er was kans dat ik vandaag of morgen naar A'dam zou gaan, maar bronchitis bindt me aan huis. Ik had gehoopt U omstreeks de verjaardag te bezoeken, ook al om te zien wat U zelf van Boven het Dal vindt.

Wij maken het goed. Mijn tweede bundel gedichten is klaar, maar zal pas volgend jaar verschijnen. Zodra ik in de stad kom, kom ik naar jullie. Hartelijke groeten van Thérèse en Chris 48 Ruim een maand na deze brief overleed Grönloh. Van Geel krijgt van zijn weduwe wat spullen en zijn pak en jas, die jarenlang door Van Geel gedragen werd. Terwijl Van Geel in een schitterende omgeving woonde waar tegenwoordig wekelijks massa's men-.

De briefwisseling In de literatuur over Nescio en Van Geel is in ten minste drie publicaties aandacht besteed aan hun briefwisseling, waarbij telkens nieuwe vondsten gepresenteerd konden worden. In het aan Nescio gewijde tweede nummer van De Engelbewaarder uit januari , moest de redactie zich nog neerleggen bij de constatering: De brieven van Nescio zijn waarschijnlijk - de resten van Van Geels brievenverzameling zijn nog niet uitgezocht - verloren gegaan toen het huis van Van Geel in afbrandde.

In de hieronder volgende commentaren zal met dank daaruit worden geput. In de jaren na het artikel van Guus Middag is het Van Geel-archief door Elly de Waard met medewerking van anderen nagenoeg compleet uitgezocht en geordend.

Dankzij deze inspanning kon hier nu uit de gehele teruggevonden correspondentie tussen Grönloh en Van Geel geciteerd worden. Een volledige publicatie van de brieven werd door de erven J. Uit de concepten die Van Geel van zijn brieven maakte bewaard gebleven in het Van Geel-archief blijkt dat zijn vriendin Thérèse Cornips daarin met de hand correcties doorvoerde en suggesties ter verbetering aanbracht, zodat haar betrokkenheid in de correspondentie groter was dan alleen virtueel.

Het sinterklaasversje dat Van Geel en Cornips op 5 december meestuurden bij een geschenk, is hier als zelfstandig deel van de correspondentie opgenomen omdat het als zodanig ook tussen de papieren van Grönloh wordt bewaard. Het werpt bovendien licht op de vriendschappelijkheid van hun relatie. De sporen van de brand die het huis, het werk en de bezittingen van Van Geel en Elly de Waard op 11 februari grotendeels in vlammen deed opgaan maar van de papieren, brieven en varianten van gedichten.

De brieven en kaarten van J. Grönloh en zijn vrouw Agathe Grönloh-Tiket Ossie genoemd, zijn, met uitzondering van de prentbriefkaart van 7 mei die geschreven is te Maastricht en ook daarvandaan verzonden is, alle verstuurd vanuit hun woonplaats Amsterdam. Sedert juli bewoonden zij het bovenhuis Linnaeushof II te Amsterdam-Watergraafsmeer; in mei verhuisden zij naar de benedenwoning Linnaeushof 57 nadat Grönloh in januari van dat jaar door een beroerte was getroffen.

De correspondentie van en aan Chr. Sedert de zomer van huurde Van Geel de hier gelegen atelierwoning zij kwam reeds ter sprake in verband met de verwoestende brand van van de beeldhouwer Johannes Anton John Rädecker ; vader van de eerder genoemde Hanny Rädecker , die op zijn beurt de woonvergunning van Van Geels bovenwoning aan de Herengracht had overgenomen in verband met zijn werk aan het monument op de Dam.

Toen hij Grönloh hier een keer ontvangen had, noteerde deze kernachtig in zijn dagboek: In het hok gezeten, als wijlen de Titaantjes.

Het essay Surrealisme uit opnieuw in: Guépin, Christiaan Johannes van Geel jr. Amsterdam 12 september Amsterdam 8 maart , in: Beschouwingen en interviews Den Haag Het Parool, 14 november , opgenomen in: Elly de Waard ed. Een bundel over zijn poëzie [Oorspronkelijk verschenen als Raam-nummer , mei , vermeerderd met negen nieuwe artikelen] Utrecht ; ook digitaal op de website van p Jan Geurt Gaarlandt, Uit de hoge boom geschreven, in: Het staat niet vast welk boekje er bedoeld zou kunnen zijn; Van Geels bibliotheek ging tijdens de brand van zijn huis op 11 februari verloren.

Het laat zich raden dat het een boekje van Nescio zelf betrof. Van zijn De uitvreter. Dichtertje was in september een derde druk verschenen Rotterdam: Vier dagen later herhaalde hij het bezoek, nu samen met zijn vrouw in de bus.

In het houten café van het Bad- en Plashuis aan het Kinselmeer, geëxploiteerd door de heer Winkelman, gebruikten zij de lunch: Een dankbaar en godsdienstig gevoel door de eitjes, het brood en de koffie. Het grasveld, de wilgen, en het even-rimpelige water. Links over het andere grasveld het andere groote houten café in de boomen en tallooze gele stoelen en tafeltjes onder hooge wilgen, zeer zomersch en geen mensch.

Op het terrein van Winkelman nog enkele menschen, waarbij twee bloote dijen. Nescio, Natuurdagboek, Lieneke Frerichs ed. Amsterdam , p. IX Eerder gepubliceerd in: Drie brieven aan Nescio, Elly de Waard ed. Dan kom ik aan, als het schikt, p. Paul van Tongeren, Maar die van God is vervuld gaat aan z'n gruwelijke oneindigheid ten gronde.

Over God in het werk van Nescio, in: De God van denkers en dichters. Opstellen voor Samuel IJsseling Amsterdam , p. Ik wilde het naar Nescio sturen als dank-woord [ Dan kom ik aan, als het schikt, p Origineel: Jaap Penraat heeft behalve als binnenhuis architect naam gemaakt als verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog.

Hij emigreerde in naar de Verenigde Staten. Ook kwam er achter het museum een terras met een beeldentuin. Vleugel en terras moesten in wijken voor een nog te realiseren nieuwbouw. Mogelijk had Van Geel een exemplaar van het boek aan Grönloh geschonken, waarvoor deze in een niet teruggevonden brief bedankt had. Nescio kreeg de Mar.

Schreef ik je dit al? Vervolgens op 24 mei Drie althans kwamen de prijs persoonlijk brengen met de boodschap dat er van de f direct f naar de belastingen moesten. Letterkundige prijzen In Nederland - daarin zal je alles over de Mar. Een boekje, overigens, om te onthouden - voor het geval we ons weer es willen laten bekronen.

Een boekje van Gans Nonchalante Notities? Ik zag het vluchtig, schreef ik je er al over? Heel zakkig van de progressieve Gans, wiens individualisten-woede niet belet alle Indonesië-zeggers boven een Indië-zegger-uit-ouwerwetsigheid van dat formaat te verkiezen, blijkbaar.

Nescio was nog wel op hem gesteld omdat Gans gezegd zou hebben toen de leraar op de H. Hij wist er niets van, zou 't es inzien in de boekhandel - doen of je boeken koopt - zei, altijd tegen àlles geweest te zijn - tegen Indië-zeggers, tegen Indonesië-zeggers, tegen ganzen.

Dan kom ik aan, als het schikt, p Concept: Het origineel van de brief is niet teruggevonden in de collectie Van Geel-brieven in de nalatenschap van J. De zending van Nescio waaraan Van Geel refereert is niet in de nalatenschap van de dichter teruggevonden. IX Kronkel, Van het Reve, in: Het Parool, 9 september Artikel is niet bij de brief bewaard gebleven.

Grönloh had Chris verteld van een inschrift, aangetroffen in een toilet in Frankrijk: De tekst werd door Van Geel in een wat andere versie gepubliceerd in het tijdschrift Barbarber onder de titel Côte d'azur: Verzamelde gedichten, p Elisabeth Maria Post , schrijfster, citaat niet thuisgebracht. Als adres was een postbox-nummer opgegeven.

In zijn antwoord had Grönloh terloops gevraagd: Woont u in een postbox? Dan kom ik aan, als het schikt, p Antwoord op een niet teruggevonden brief van J. De foto is reeds enkele malen eerder gereproduceerd, voor het eerst in het aan Nescio gewijde Schrijversprentenboek 14 Gerrit Borgers, M. Boas-Grönloh, Marten Scholten eds. De complete foto is afgedrukt resp. Een bundel over zijn poëzie Utrecht: Reflex, ; Dan kom ik aan, als het schikt, p.

Van daaruit ondernam Grönloh een uitstapje met trein en bus naar Zuid-Limburg. Tirade 46 september ; Ook op de website van Die Franse regel gebruikte Nescio vaker in zijn natuurdagboek, als een plotseling geluksgevoel in hem opbloeide, of als een ervaring van opgaan in alles bezit van hem nam.

Lieneke Frerichs, de bezorger van het natuurdagboek, vertaalt: En ineens, als een dolleman, slaat mijn hart op hol. Wellicht is het citaat terug te brengen tot het gedicht La révolte van de Belgische dichter Émile Verhaeren: En tout-à-coup de fou désir, s'en va mon coeur. Over Verhaeren en diens plaats in de Europese letterkunde vgl. Benno Barnard, Ik houd nu eenmaal van Émile. Dichters van het avondland 1 , in: Met Nescio zijn we erg dik. Ze vervelen zich een beetje zonder klein- en kinderen en zonder mooi-fiets-weer.

Ik hoorde de mooiste verhalen. Die eens mondeling voor zover ik ze me dan nog herinner. Ik mis het reporters-temperament alles te noteren. Ik ken alleen de spijt het niet te doen. Daar zou ik als ik heel rijk was mijn secretarissen voor hebben. Boekstaving van de gesprekken rond de kasteelheer. Dan kom ik aan, als het schikt, p Het betreft de vraag van Grönloh aan Thérèse Cornips een verhaal uit uit te tikken dat hij dacht te publiceren onder het pseudoniem Innocens: Dagboek van een lid van een schoolbestuur.

Inderdaad maakte Cornips een tiksel van het manuscript. Nadat zij van de auteur jaren niets meer erover had gehoord, legde zij de uitgetypte tekst aan Van Geels uitgever Geert van Oorschot voor met de vraag of het tijdschrift Tirade hierin geïnteresseerd zou zijn. Van Oorschot nam vervolgens contact op met Grönloh en diens vrouw.

Het voornemen ontstond toen niet slechts deze tekst, maar al het ongepubliceerde werk van Nescio uit te geven. Er werd een vierkoppige redactie gevormd, bestaande uit mevrouw M. Boas-Grönloh, Gerrit Borgers, Chr. Uit dit initiatief kwam als boekuitgave voort: Nescio, Boven het dal en andere verhalen Amsterdam , met als afsluitende tekst: Dagboek van een lid van een schoolbestuur, p Vgl.

Amsterdam I, p juni Origineel: In de zomer van waren Grönloh en zijn vrouw van juli en van 3 tot 14 augustus te Groet; vgl. Natuurdagboek, p , ; , waaruit: Van Geel wordt iets dikker in z'n gezicht en ziet er welvarender en verzorgder uit. Z'n huisje is opgeruimd: Er liggen niet overal boeken en papieren. Er is nu in het midden een nuttelooze leegte. Swinburne en Watts Dunton! De Engelse criticus en dichter Theodore Watts-Dunton leeft in de herinnering vooral voort als vriend en verzorger van Algernon Swinburne , die hij van de ondergang in het alcoholisme zou hebben gered.

Natuurdagboek, p december Origineel: Het handschrift is naar beste weten dat van Thérèse Cornips, wellicht is zij ook de auteur van het gedichtje maart Briefkaart. Het colofon van het boek bevat de tekst: Boven het dal is een bundel verhalen die in door de schrijver uit zijn ongepubliceerd werk werd samengesteld en waaruit hij in slechts een klein deel onder de titel Mene Tekel, in boekvorm heeft laten verschijnen.

Uit het overige werk in portefeuille werden de Andere verhalen, gekozen door Mevr. De tekstverzorging was in handen van Mevr. Deze formulering kwam tot stand nadat Van Geel in de redactiecommissie had geklaagd over zijn spek- en bonenrol en hij zijn bezwaren had geuit tegen de wens van met name Van Oorschot het boek niet als een soort nagelaten werk, maar als een zelfstandige uitgave van Nescio te laten verschijnen.

Van Geel wilde niet de indruk wekken alsof Nescio het boek zelf zo had samengesteld en voor druk gereed had gemaakt, maar evenmin vond hij dat de titel als nagelaten werk zou mogen worden gepubliceerd. Van Geels suggestie werd gehonoreerd. Nescio, Verzameld werk, I, p , en hierboven n. Hollands Weekblad 3 14 juni , p Van Geels tweede dichtbundel, Uit de hoge boomgeschreven, zou pas in verschijnen. Over het late verschijnen van de tweede bundel vgl.

Boucher, 29 p. Catalogus bij de tentoonstelling Van Geel in het Stedelijk Museum te Amsterdam, 15 december januari , met een week verlengd tot 29 januari. In de catalogus waren facsimiles van tien gedichten afgedrukt die naderhand, al dan niet gewijzigd, in Uit de hoge boom geschreven werden opgenomen.

De ene kunst leeft nooit zonder de andere, althans bij mij, E. Elly de Waard, Nawoord, in: Dan kom ik aan, als het schikt, p: Enkele veel te grote pakken van ouderwets degelijke snit - waarvan een broek later aan een jonge schilder en verwoed Nescio-fan werd afgestaan, die er een kachelpijp-broek voor zichzelf van maakte - en de lange grijze loden jas, die een kleine tien jaar lang een onafscheidelijk kledingstuk was van Chris.

Een voor hemzelf niet zo veelzeggende, maar voor mij mooie afronding van de trits van voorwerpen die dienden om erop uit te trekken: Kennelijk vond Van Geel zo'n verzoek in een felicitatiebrief niet gepast en heeft hij de zin geschrapt.

De Engelbewaarder 1 2 januari , p Namelijk de passage Het is al weer zoo een poosje geleden Enno Endt aan Elly de Waard, resp. Amsterdam 12 september Amsterdam 8 maart Over Van Geel en het atelierhuis, vgl. Elly de Waard, Chris van Geel: Vrij Nederland, 12 maart Uit: Ik kreeg ze opgestuurd via Elly de Waard, of ik er iets over zou willen schrijven voor het nummer dat het literair-historische tijdschrift De Parelduiker aan hem wijdt.

Ze zijn uit een map uit , de tijd dat ik hem leerde kennen. Ze zijn nog niet af, dat zie je aan de krabbels in de kantlijn. Er zullen er hier maar drie ter sprake kunnen komen.

Ze zijn uitgetikt, iets wat hij zelf niet deed. Zoals er nu schrijvers zijn die nog altijd vastberaden niet op een computer werken, zo heeft hij, die van was, de stap naar Zelf Tikken nooit gezet. Poëzie, dat was wat Chris J. Een af gedicht, dat was eigenlijk de dood, een af leven bestond ook niet, hij leefde scheppenderwijs. Eigenlijk was een gedicht getikt al halfdood. Ik was twintig toen ik hem voor het eerst bezocht, bijna twee jaar voor zijn dood op 8 maart Ik heb nooit iemand leren kennen die zó op het eigenste moment leefde als hij.

Ik herinner me niet dat hij het ooit over vroeger had. Hij was altijd aan het beseffen, dat is misschien de formulering. En intussen verloor hij de tijd. Ik herinner me dat we dagen lang tegenover elkaar zaten, in de serre van 't Vogelwater, het gewezen rusthuis diep in de Castricumse duinen waar hij en Elly de Waard na het afbranden van het vorige huis waren gaan wonen.

Mijn poëziedebuut zou uitkomen, ik had voor het manuscript net de Reina Prinsen Geerligsprijs gekregen Hij had mijn gedichten in het Hollands Maandblad en Tirade gezien. Ik had hem in een interviewtje in Trouw de grootste levende Nederlandse dichter genoemd. Hij wist dat ik een epigoon van hem was. Bij de kennismaking had hij grinnikend voorgesteld dat ik hem meester zou noemen. Hij torende boven mij uit, mager, Beckett-achtig, hij was goed in ironisch hoffelijk naar beneden kijken.

Hij vond mij ongeduldig - jong, prematuur. Hij was terdege mijn meester, mijn doctor in de aandacht. Hoe je aan wat je al geschreven hebt betekenis, altijd meer betekenis kunt toekennen; hoe je je eigen, minste, meest verborgen gedachten kunt leren zien als buitenkansen; hoe je je aandacht kunt spannen als een web waar zo onwillekeurig mogelijke, halfbewuste denkbewegingen in vliegen; hoe alles uiteindelijk draait om stilte, om een ascese: Ik had een onjeugdige hang naar die dingen, ik wilde zielsgraag een leven verder zijn, ik herinner me mijn hoofd, ook dat van toen, als eigenlijk altijd te druk, altijd maar lussend om zichzelf, en meende te begrijpen dat dit ook voor hem gold.

Hij zei een keer dat hij geen drugs gebruikte omdat zijn bewustzijn al verruimd was, ik heb met hoe ik denk mijn handen vol. Ik zocht beslist ook een vader, maar die was hij niet. Als je het mythisch zou zeggen, dan was hij een verwekker, geen grootbrenger. Het was ook niet echt onderricht dat ik kreeg. We zaten in zijn werkserre aan iets wat ik mij herinner dat een keukentafeltje was. Het was volkomen vanzelfsprekend dat ik, meteen na de allereerste begroeting, op die plek terecht kwam, met mijn rug naar de tuin omzoomd door duinbos.

Een paar maanden later zouden daar, na een storm, grote bomen omgewaaid zijn. Toen die in stukken waren gezaagd noemde hij de tuin Pompeï. Er werd vanuit gegaan dat ik daarvoor was gekomen: En ik weet dat ik totaal niet verbaasd was over deze gang van zaken.

Ik voelde me niet gebruikt, integendeel: Later ontdekte ik dat hij een aantal mensen op deze wijze bij zijn dichtwerk betrok, hij noemde ze tuttelaars. In die laatste jaren van zijn leven was Tom van Deel die mij met hem in aanraking had gebracht de gewichtigste, de postume bundel Enkele gedichten is door Van Deel bezorgd. Op een dag kreeg ik de titel junior-tuttelaar. Poëzie schenkt, net als God, de lezer vrijheid, dat is misschien wel haar bestaansrecht. Voor mij is dát van meet af aan de ervaring geweest bij het lezen van Van Geel.

Een gedicht van hem verlangt hevig naar betekenis, het is alsof het, hoe lang er ook aan is gewerkt, altijd net niet weet wat het betekent, het is alsof het werkelijk door de lezer, al lezend, wordt voltooid.

En de lezer is daar vrij, er gaat van het Van Geel-gedicht geen dwang uit. Het is, hoezeer ook van woorden gemaakt, een beeld, zoals gedefinieerd door de filmer Andrej Tarkovski: Het beeld is er om het leven zelf uit te drukken, en niet de voorstellingen en denkbeelden over het leven.

Een Van Geel-beeld imponeert niet, het zoekt het onaanzienlijke, het minste verborgen drinken van je wortelkroon. Vrijheid is het raadsel, en Van Geel beoefende dat door in de eerste plaats helder te zijn. Hoe helderder het gedicht, des te ondoorgrondelijker. De neerlandicus Enno Endt, die de eerste helft van zijn dichtersleven bevriend met hem was, herinnerde zich dat Van Geel hem op een wandeling als hij niet aan het dichten of slapen was - twee verwante bezigheden, zoals uit veel gedichten blijkt - dan wandelde hij wees op prikkeldraad dat in de boomschors was ingegroeid.

Wat is dat, zei hij, dat is iets, hè? Hij voelde dat het iets met zijn eigen leven te maken had. Deze scène wordt gememoreerd in het schitterende en on-. Er moet betekenis zijn, wat je raakt heeft met je leven te maken, het centrale dichtersmirakel is herkenning, iets onkenbaars in jezelf wordt herkend in de tastbare wereld, en je staat in de vrijheid om altijd meer betekenis te onderkennen, meer te herkennen, altijd meer. Zo bekeken we de stapels uitgetikte varianten van zijn gedichten in uitvoering: Hij keek er naar alsof het raadsels waren die door een ander aan hem waren opgegeven.

Die ander gaf hij zelf, die zich in zijn jeugd surrealist had genoemd, soms de naam van onderbewuste. De ander was natuurlijk zeker ook de taal. Bij de gedichten die ik opgestuurd heb gekregen zat deze: Het is alsof de dingen die gebeuren volmaakter zich aan ons voltrokken toen, toen wij nog onverbloemd beschikbaar waren.

Het is of een voor een de ogen dicht gegaan zijn - ook de eigen - die eens keken, niet dood, maar op een ander punt gericht. Het kan zijn dat dit gedicht het niet tot bundeling in Enkele gedichten heeft gebracht omdat het te betogend is, te weinig zinnebeeld. Het is het enige gedicht van de zending waar ik me duidelijk van herinner dat het door onze handen is gegaan. Dat komt door onverbloemd beschikbaar. Ik herinner me dat ik me er sterk van bewust was dat daar iemand als ik zelf mee bedoeld werd: Ik kan mezelf, vrees ik, niet als gaaf herinneren.

Geheugen begint pas te werken bij verlies. Het woord onschuld zal Van Geel niet snel gebruiken schuld is geen categorie waar hij in dacht , maar wel synoniemen, gaaf, ongeschonden, ongerept. Dat je verbloemd zou kunnen worden trof me, en dat is de hele herinnering aan de opgestuurde gedichten. Later, toen hij - met mijn grootvader - mijn eerste dode bleek te zijn, kon ik gaan beginnen te ervaren wat hij met verbloemen bedoelde.

Ik heb zijn dood, en daarna tijd nodig gehad om te begrijpen hoezeer zijn werk, van meet af aan, in het teken van missen staat, van het volkomen, met al je zintuigen, beschikbaar willen zijn voor de doden, terwijl je, per dode, een oog verliest. Het beeld dringt zich op van een bewustzijn dat aanvankelijk bestaat uit een pau-. De dichter tracht per gedicht weer onder de levenden te komen, daar waar de dingen die gebeuren gebeuren.

Rust zacht Dood is wraak niet in de nacht door dor blad te horen sluipen onder bomen, om het huis, in het weiland bij de stal. Het personifiëren van de dood, hem oren geven die boos zijn, en niet de doden kunnen horen sluipen om het huis Als je dood bent, dichter, wat betekent dood dan? Waar ben je, als ik je dit vraag? De eerste bloei, het laatste web. Onregelmatig regelmatig is het deksel van de zee. De branding is ver weg. De vloei van eb vraagt ga je mee.

De laatste zinsnee is eenvoudigweg een van de mooiste die ik van wie dan ook heb gelezen. Ik hoop dat dit gedichtje niet door onze handen is gegaan, in , daar aan het tafeltje in de serre, want als het wel zo is, dan betekent dit dat ik over het vermogen beschik om het mooiste te vergeten.

Maar misschien is dat precies wat hij bedoelde toen hij, in een wel gepubliceerd gedicht, schreef: Het mooiste leeft in doodsgevaar. Het leeft dankzij het doodsgevaar. Leg dat maar 's uit. De zinsnee kan opleven dankzij mijn vergeten. Ze springen tot leven, je doden, hoezeer ook in doodsgevaar. De briefwisseling tussen Chris van Geel en Geert van Oorschot Anders dan je loyaliteit in gelijke mate terug te bevestigen, is op je verschrikkelijk aardige brief eigenlijk geen antwoord te geven.

Ik zal hem bewaren als een boek. Je zit er bijna meer dan levensgroot in. Ze corresponderen dan al zo'n tien jaar en zitten midden in het productieproces van de bundel Uit de hoge boom geschreven, de opvolger van Van Geels debuut Spinroc en andere verzen dat in uitkwam. De correspondentie loopt van tot en is zowel terug te vinden in huize 't Vogelwater in Castricum als in het Letterkundig Museum in Den Haag, waar het archief tot van uitgeverij G.

Beide collecties hebben hun charme: De vaak wat emotionelere handgeschreven brieven en kaartjes van Van Oorschot ontbreken in het uitgeverijarchief. Op wat uitstapjes na, zoals het nooit uitgegeven Tussen seizoenen bij uitgeverij L. Postuum werd dit bevestigd met de uitgave van de Verzamelde gedichten in Tegelijk met het verschijnen van deze Parelduiker brengt de uitgeverij de bloemlezing Het mooiste leeft in doodsgevaar uit. Uit de correspondentie blijkt dat Van Geel graag bij Van Oorschot werd uitgegeven en dat Van Oorschot Van Geel graag in zijn fonds wilde hebben, en houden.

Maar er blijkt ook uit dat dat niet zonder slag of stoot ging. Ze publiceerde eerder over het archief van Uitgeverij G. Zoals in de brieven minutieus te volgen is, liep hun relatie ondanks de vele vriendschapsbezweringen toch stuk op zakelijke gronden en karakterverschillen.

En passant tonen de brieven diverse gebeurtenissen uit het zakelijke en persoonlijke leven van de twee correspondenten. Beiden zitten ze bijna meer dan levensgroot in de brieven. Uitgever Bert Bakker heeft ook interesse, maar Van Geel heeft hem op een andere manier nodig: Ik opende het gesprek raillerend door hem te zeggen dat de heer Van O. Dit leek me wel wat om het ijs te breken, helaas we bevroren. Dit was dat en eigenlijk voor mij van minder belang dan mijn bedoeling hem wat Maatstaf betreft af te wijzen, maar als vriend van dr.

Hulsker 3 te behouden. Immers, zijn invloed om een aanvrage die de burgemeester van mijn gemeente richtte tot O. In deze brief, waarin Van Geel zijn toekomstige uitgever eigenlijk toespreekt via een verslag van een gesprek met anderen, laat hij ook weten waarom hij in het dat jaar opgerichte Tirade zou willen publiceren: Reeds eerder zei ik hem [Roland Holst] dat ik bij Van O. De volgende dag al volgt een briefje van Van Geel over een onderwerp dat nog vaak terug zal keren; de drukfout.

De gedichten zijn verminkt, spaties staan verkeerd, correcties en veranderingen zijn niet overgenomen: Ik telegrafeerde, telefoneerde, schreef hierover, had er zorg voor, gelijk mijn soort van dichterschap betaamt. Het is toch in ons beider belang, me dunkt! Van Oorschot is niet tevreden met de door Van Geel voorgestelde titel: En verder nog iets over een evt. Gedichten of Verzen nou ja, die schrijft iedereen en het zegt zo verdomd weinig.

Kunt u niet snel een goede titel verzinnen? Spinroc - anagram van Cornips mijn vrouw's naam. Jarenlang noemde ik mijn boek zo. Het is een kwestie van wennen. Ik heb er een zeer passend epigram bij uit de 14 e eeuw. De reacties erop van het pu-.

Voor het bezwaar dat het te particulier is ben ik eens gezwicht - maar nu U op een titel aandringt is dat de titel of het inderdaad weinigzeggende Verzen.

Lang speelde ik met de gedachte het monogram Th. Ik ben dus met Spinroc uit de schacht van het particuliere een heel stuk dichter bij het daglicht m.

Mijn vrouw vertelt dat ik geen kleur mag kiezen waar U het niet mee eens bent. Kiest U dus een kleur waarmee ik het eens ben. De brief die Van Oorschot bij het contract voor Spinroc voegt, laat hierover in eerste instantie geen twijfel bestaan: Wat nu de uitvoering van Uw boek betreft: Dit is principieel gezien toch helemaal een zaak, die de uitgever aangaat.

...

Stiefvader neukt dochter amateur hoeren alkmaar

Al bij het eerste bezoek bleek het archief rijk aan literaire - grotendeels ongepubliceerde - schatten. Vele bezoeken aan de zolder van Elly de Waard volgden en terwijl we in het archief doken voor een steekproefsgewijze beschrijving van de documenten, benaderden we mogelijke auteurs om te schrijven over de parels die opgedoken werden.

Het is aan het enthousiasme van die mensen te danken dat er nu een themanummer over Chris van Geel ligt, waarin hij van verschillende kanten belicht wordt.

Na een artikel over het archief volgen drie beschrijvingen van correspondenties. Léon Hanssen schetst de vriendschap tussen Van Geel en de door hem zeer bewonderde Nescio, Hans Ester beschrijft de dichterscorrespondentie tussen leeftijdgenoten Van Geel en Elisabeth Eybers en Marsha Keja laat aan de hand van hun correspondentie de verhouding tussen Van Geel en zijn uitgever Van Oorschot en het ontstaan van enkele bundels zien.

Willem Jan Otten kreeg vijfendertig jaar na dato ongepubliceerde gedichten van Van Geel opnieuw te zien, die hem terug doen denken aan zijn bezoeken aan Van Geel en die zijn bewondering voor de dichter bevestigen. Renske van Dillen schrijft over de beeldend kunstenaar die Van Geel ook was; ze laat de verbinding met het literaire werk zien.

Deze artikelen worden voorafgegaan door een biografische schets van Daan Cartens. We willen alle auteurs danken voor hun enthousiasme over het gevonden materiaal en de bereidwilligheid waarmee ze erover hebben geschreven. Elly de Waard en Marijke Weijters danken we voor het openstellen van het archief en hun huis, voor hun vertrouwen en gastvrijheid. De redactie Onder de titel Het mooiste leeft in doodsgevaar. Gastconservator Elly de Waard besteedt hierin veel aandacht aan zijn surrealistische werk, dat tot op heden vrij onbekend is gebleven.

Nooit getoonde bijzondere boekuitgaven, brieven en foto's completeren de tentoonstelling. Een dichter die, tot mijn niet geringe trots, volkomen onbekend was voor mijn leraar Nederlands. Ik was op Chr. De cover van dat nummer werd gesierd door een intrigerende foto van een ascetisch uitziende man met een spiedende blik. Achterop was een foto afgedrukt waarop hij, in een donkere jas lijkend op een monnik, door een verwilderde tuin liep. Links van hem was een klein stukje te zien van een serre waar een felle bureaulamp een stapel papieren belichtte.

Ook de foto's binnenin hadden op mij een betoverende werking. Op een ervan zat de dichter, dit keer in de serre, achter zijn door stapels papier bedekte bureau, terwijl ook de vloer bezaaid was met mappen en papieren. Hier werd duchtig gewerkt, zo veel was zeker. Op de twee andere foto's was Van Geel te zien in een bootje met Nescio en op de andere met een jonge vrouw die, achter hem staand, liefdevol naar de papieren keek, die hij in zijn handen had.

De illustratieverantwoording leerde mij dat enkele foto's waren gemaakt in de tuin van 't Vogelwater. Die naam alleen al voedde mijn fascinatie verder. Ik las de artikelen in het nummer en raakte enorm onder de indruk van de gedichten die geciteerd werden. Het was een kernachtige poëzie die ik tot dan toen nooit gelezen had, het waren gedichten die vreemd waren, soms duister en mysterieus, maar ook weer helder en direct aansprekend. Ze werden door mijn adolescentenbrein wel en niet gevat, er bleef iets ongrijpbaars om die gedichten hangen.

In de maanden daarop kocht ik bij de Athenaeum Boekhandel in Amsterdam twee dikke bundels Spinroc en andere verzen en Uit de hoge boom geschreven, bundels die ik las en eindeloos herlas. Ik kan nu, ruim dertig jaar later, nog talloze gedichten uit mijn hoofd opzeggen, zo fanatiek was mijn gretige opnamevermogen blijkbaar destijds.

Er werd, zo zag ik in de knipselmap in de bibliotheek, in die tijd veel over Van Geel geschreven. Na zijn dood was er door Elly de Waard, zijn weduwe, een stichting opgericht die zijn naam droeg en zorg wilde gaan dragen voor de volledige uitgave van zijn poëtisch werk, maar zich ook wilde bekommeren om het picturale, waarvan ook talloze specimen waren nagelaten.

Ik schreef, om van mijn bewondering en fascinatie te getuigen, een groot artikel voor de schoolkrant, een stuk dat, als ik het nu herlees, niet bij de belevingswereld van veel van mijn klasgenoten zal hebben aangesloten. Ik stuurde het, enigszins beducht voor een reactie, naar Elly de Waard die me een heel aardige en hartelijke brief stuurde, waarin ze nauwgezet inging op wat ik geschreven had.

Ze wees op fouten en manco's, maar vond het klaarblijkelijk ook prettig dat de poëzie van Van Geel ook heel jonge lezers raakte. Later leerden wij elkaar kennen, kwam ik regelmatig op 't Vogelwater, mocht ik haar assisteren bij de totstandkoming van diverse uitgaven, maar dat zijn feiten uit een particulier leven die hier niet aan de orde zijn.

Wat wel van belang is, is dat door de uitgaven van de Stichting Chr. Veel van wat Chris van Geel heeft geschreven is dus toegankelijk, veel van het werk rondom, varianten, correspondentie, wordt momenteel toegankelijk gemaakt, maar nu dringt de vraag steeds prangender op: Wie was de man voor wie de ene kunst nooit zonder de andere kon bestaan? Was hij alleen maar de heremiet van de foto's? Had hij zijn hele leven al gedicht?

Had hij contacten in kunstenaarskringen? Vragen te over, vragen die een serieuze biografie moet beantwoorden. Het onderstaande wil niet meer dan een biografische achtergrond schetsen, gebaseerd op artikelen, interviews en bestaande informatie.

Het wil tevens de noodzaak van een biografie onderstrepen, zeker nu nog een aantal mensen dat Chris van Geel heeft gekend in leven is. Feiten, gebeurtenissen, maar zeker ook significante details geven kleur aan iemands bestaan. Zo wordt het bezitten van een pijp in de vorm van een vrouwenbeen tot meer dan een curiositeit; het zegt iets over de fascinatie s van de eigenaar. Vanuit het geboortehuis kon je kijken op de lage barakken voor besmettelijke ziekten van het Wilhelmina Gasthuis.

De sfeer in de buurt, evenals binnenskamers, was navrant en benauwend. De ouders van Van Geel woonden tot zijn negende in bij zijn grootouders, met wie hij het veel beter kon vinden. In zijn kamer hingen twee prentbriefkaarten met daarop afbeeldin-. Chris van Geel in een interview tegen G. Brands, vriend en redacteur van het tijdschrift Barbarber: Die prentjes hingen aan een koordje aan een punaise. Ik dorst ze niet weg te gooien, maar langzamerhand zijn ze toch verdwenen en ik heb er nooit meer iets over gehoord van mijn moeder.

Maar uit haar handelwijze heb ik begrepen dat ik een te weinig liefhebbende zoon was. En dat betekent dat zij mij nooit eens, zoals dat hoort geknuffeld heeft. Op haar sterfbed kreeg ze bezoek van een oude dame en toen zei ze tegen de zuster: In de bundel Enkele gedichten nam Van Geel het gedicht Oud op, geschreven bij de dood van mijn moeder: Als vlindervleugels voelt ze aan zo zacht en aan gewicht ook licht is wat ze geeft, een hand, een speld van pijn - wij worden vlinders tot in ons gewricht en ogen in.

De vader van Chris van Geel was sierkunstenaar. Hij maakte ontwerpen voor exlibrissen en boekomslagen, voor textiel en voor postzegels, maar zijn ontwerpdrift was groter dan zijn handelsgeest. Dat krankzinnige met zichzelf bezig zijn loopt als een rode draad door onze familie. Mijn vader dacht dat hij niet één ademhaling kon doen of hij kwam in de encyclopedie.

Veel compassie had Van Geel ook na hun dood niet voor zijn ouders: Hoewel zijn vader bijna niets verdiende en wel gedwongen was bij zijn ouders in te wonen, verhuisde hij toch met vrouw en zoon in het crisisjaar naar Utrecht, waar Chris af en toe baantjes had op een fabriekskantoor, bij de Openbare Leeszaal en als leerling-etaleur bij de Hema aan de Oude Gracht. We hadden er een kristaletalage opgebouwd van glaasjes waarop een glasplaat en daarop weer glaasjes en weer een glasplaat, torenhoog.

Enfin, we zouden de volgende etalage gaan doen, mijn baas en ik, en daar moesten een paar planken worden bevestigd. Ik steek natuurlijk zo'n plank door dat flanellen afschutsel en daar dondert me die hele kristaletalage in elkaar, zodat iedereen op de Oude Gracht van zijn fiets stapte. De vakanties en periodes dat hij werkloos was, bracht de jonge Van Geel door bij zijn grootouders in Zandvoort. Hij ondervond daar de aanhankelijkheid en warmte die hij thuis miste en ook een vorm van intellectuele gretigheid die zijn grootvader op zijn kleinzoon overbracht.

In verscheen bij uitgeverij C. Mees in Santpoort de bundel Bij de kruising, de eerste en enige publicatie van zijn grootvader C. Behalve enkele sfeerrijke, maar traditionele gedichten, bevat die bundel een aantal kwatrijnen waarin het licht hilarische van sommige gedichten van zijn kleinzoon later, te lezen is: De menschen gaan elkaar voorbij en als zij erg plausibel zijn, dan lachen zij om u en mij, omdat wij ongeschoren zijn.

De grootouders keren later naar Amsterdam terug, Chris logeerde vaak bij ze en kreeg van zijn grootvader een wekelijkse toelage van vier gulden. De jonge Van Geel volgde toen al kunstnijverheidsonderwijs op het gelijknamige instituut in Amsterdam. Hij was op basis van enkele tekeningen toegelaten zonder examen te hoeven doen of de voorbereidingsklas te moeten volgen. Na een jaar op die school ging hij in naar de Nieuwe Kunstschool, waar hij onder anderen les kreeg van Johannes Itten, een voor de nazi's uitgeweken Bauhausleraar.

Itten is beroemd ge-. In tegenstelling tot een man als Walter Gropius, die veel commerciëler dacht, had Itten een meer meditatieve kant, die Van Geel aansprak. Van Geel had in die vooroorlogse jaren communistische sympathieën. Ik was politiek niet onmondig, zei Van Geel in het al eerder geciteerde gesprek met G.

Brands, een van de weinige interviews waarin hij op die periode van zijn leven inging. Ik wist al in dat het de ondergang van de wereld zou betekenen. Je was toen al bewust en je wist wat die nazi's waren. De jodenvervolgingen waren natuurlijk verschrikkelijk, en niet alleen dat. Van Geel was zelf voor de dienstplicht afgekeurd. Er waren mensen die het inzicht hadden dat het voor sommigen toch maar beter was dat ze er niet in kwamen. Ik had toen ook lang haar. Ik weet niet waarom.

Natuurlijk niet tot op de schouders, het bleef nog wel in het patroon van toen, maar het maakte een zogenaamd artistieke indruk, denk ik. Van Geel bracht de oorlogsjaren door op een zolderverdieping aan de Herengracht. Ik heb mij niet zoveel aangetrokken van het oorlogsgebeuren, want oorlog is een rustige tijd, waarschijnlijk rustiger dan vredestijd.

Maar helemaal afzijdig hield Van Geel zich niet. Per trein bracht hij joodse kinderen naar hun onderduikadressen en als de illegaliteit een beroep op hem deed, was hij paraat, maar zelf het initiatief nemen, dat deed hij niet. Hij overleefde de Hongerwinter, arm, broodmager en uitgeput, door af en toe te kunnen eten bij de bevriende lijstenfabrikant Heidenrijk, die hem ook andere adressen kon aanraden.

Zo kwam ik de week wel door, zij het met moeite. Tenslotte betaalde ik ook 5 gulden voor een sigaret, een Consi, bij een portier op het Thorbeckeplein. Tijdens die Hongerwinter stierven kort na elkaar zijn grootouders, sterfgevallen die op Van Geel een diepe indruk maakten. Surrealisme en Du Perron Chris van Geel was in de vooroorlogse jaren en tijdens de Tweede Wereldoorlog niet zozeer op zoek naar een baan, als wel naar een bestemming in de kunsten.

Hij schreef in navolging van zijn grootvader gedichten die door de tijdschriften werden geweigerd, hij maakte tekeningen die in kleine kring werden gewaardeerd, maar het bleef werk in de marge, ook in dat van zijn eigen leven. In was er in de Amsterdamse galerie Robert een zogenaamde exporttentoonstelling te zien van de Parijse surrealisten. Van Geel raakte diep getroffen door de objecten die daar te zien waren, zoals een met bont beklede kop, een schotel en een lepel van Méret Oppenheim en twee vrouwenbenen in de hoorn van een grammofoon.

Voorts werden er decalcomanieën geëxposeerd, vlekken die ontstaan door papier met natte verf op ander papier te drukken. Een techniek die Van Geel later vaak zou toepassen. Maar aanvankelijk was hij helemaal in de ban van de objecten, die hij zelf ook ging maken. Hij maakte daarbij vooral gebruik van de rommelzolder van een zonderlinge plastisch chirurg, die ook aan de Amsterdamse He-.

Kunstvingers, wasogen, een geraamte zonder hoofd, talloze bidets - Van Geel gebruikte alles wat hij aantrof voor zijn objecten. Dat we nu nog weten hoe die objecten eruit zagen komt voornamelijk door de vriendschap tussen Chris van Geel en de fotograaf E mile van Moerkerken, met wie hij behalve de sympathie voor het communisme ook de belangstelling voor het surrealisme deelde.

Van Moerkerken maakte foto's van Van Geels objecten van tot de eerste oorlogsjaren. We zien een in pak gestoken Van Geel met zijn objecten aan de rand van de Herengracht, maar ook op het dak van het huis van de chirurg. Van Geel ziet er jongensachtig opgetogen uit, hij torst de opgetaste tafel met zichtbaar plezier, hij laat een scheermes aluin scheren, en een muis eenzaam achterblijven op de bodem van een sardineblik.

Het meest bekend gebleven object is Jeunesse d'un narcisse , narcissen aan een boom, gestoken door het zitvlak van een wit geschilderde thonetstoel. Van Moerkerken nam de foto's mee naar Parijs waar André Breton zich zeer enthousiast toonde over zoveel inventiviteit. Dat enthousiasme verdween op slag toen Van Moerkerken vertelde dat Chris en hij overtuigde stalinisten waren. Dat schoot de trotskistisch angehauchte Breton absoluut in het verkeerde keelgat.

Exit het duo Nederlandse surrealisten. Over zijn ontdekking van het object als expressiemiddel schreef Van Geel in een brief aan zijn medestudente en vriendin Noor Dekker in Het sluit precies aan bij mijn eigen strevingen, die, nooit bevredigd door alleen maar teekenen v.

Die was, zachtjes gezegd, geen liefhebber van. Du Perron was echter geen tegenstander van inspiratie die door dat onderbewuste werd gevoed, maar het resultaat van dat proces, de tekst, het gedicht, moest zo helder mogelijk zijn. Die optiek beviel Van Geel.

Een open oog houden voor alle mogelijke betekenissen van een gedicht, het eindeloos variëren en associëren, ze zouden symptomatisch worden voor Van Geels latere werkwijze. Het zou nader onderzocht en door uitspraken en of brieffragmenten gestaafd moeten worden, maar heel waarschijnlijk is het dat beide invloeden, die van het surrealisme en die van Du Perron, zeg maar de combinatie van het ongeremde en het precieze, Van Geel definitief in de richting van de dichtkunst hebben gedreven.

En toen het dichten eenmaal echt was begonnen, was er ook geen houden meer aan. Tegen Brands zei Van Geel in Kijk, bij het ontstaan van dichterschap hoort in ieder geval ook het leven in raadselen, het leven in onverklaardheden, het leven in vragen omtrent je naaste omgeving.

Wanneer dat maar genoeg gecontinueerd wordt, dan kan het niet anders of je wordt een dichter. Hij zou er totdat een brand in februari het huis in de as legde blijven wonen, gedreven werkend aan een oeuvre waarin nooit iets voltooid was, bezeten als hij was van alle open mogelijkheden die een tekst en ook een picturale uiting hem bood.

Ik ben in beesten opgesomd Aanvankelijk woonde Van Geel in Groet met Laura Meursing, met wie hij in november was getrouwd. In werd hun zoon Chris geboren. Het huwelijk hield niet lang stand, in verlieten Meursing en de kleine Chris de atelierwoning.

Van Geel had amper inkomsten. In kreeg hij enkele maanden honderd gulden, een ondersteuning vanwege de Koninklijke Subsidie voor de Schilderkunst. Verder leefde hij voornamelijk op de pof. Na het vertrek van zijn vrouw verkeerde Van Geel in een desperate toestand.

Vrienden ontfermden zich over hem. Hij volgde daar ook colleges bij de legendarische hoogleraar Hellinga, een fervent voorstander van de zogenaamde close reading: Die methode sprak Van Geel direct enorm aan. In kwam Thérèse Cornips in Groet wonen. Ze was werkzaam als illustratrice van uitgeverij De Spaarnestad en kon zodoende voor wat inkomsten zorgen. Ze bestierde het huishouden en tikte de gedichten die Van Geel schreef voor hem uit, want zelf was hij die kunst niet machtig.

De productie was enorm. Binnen enkele jaren waren er drieduizend gedichten ontstaan, die Van Geel allemaal als variant beschouwde. Niet alleen Cornips, maar ook Enno Endt en Jan Pieter Guépin traden in die jaren vijftig op als tuttelaars, vrienden die Van Geel met raad en daad bijstonden bij het niet eenvoudige selectieproces. Uiteindelijk kwam de classicus Guépin in de zomer van bij Chris en Thérèse wonen om een definitieve keuze te maken voor een eerste bundel. In verscheen bij Van Oorschot Spinroc anagram van Cornips en andere verzen.

De reacties waren overwegend gunstig. In Van Geel schuilt een gehaaid realist met het boers sluwe oog voor dieren en dingen zoals zij zijn en worden, maar ook een bevlogene, die het wel zonder de buitenwereld meent te kunnen stellen, en in de nogal mysterieuze titel van zijn bundel [ De gedichten tellende debuutbundel werd amper verkocht en zou pas in worden herdrukt. De financiële zorgen bleven en zouden pas gedeeltelijk verdwijnen toen Van Geel, vanaf , werd ondergebracht in de regeling voor werkloze hoofdarbeiders en in dienst kwam van de door hem zeer gerespecteerde hoogleraar Hellinga.

In verliet Thérèse Cornips Chris van Geel, die ontredderd achterbleef. Via een gemeenschappelijke kennis kwam hij in contact met de Bergense Elly de Waard, die in Amsterdam Nederlands studeerde. Na enkele ontmoetingen trok De Waard bij de dichter in. De sfeer van het huis waar zij was gaan wonen, heeft zij later opgeroepen in het gedicht Groet in haar debuutbundel Afstand Huis, burcht en tegelijk prieel zo lieflijk, met buiten blauwe schietgaten in roze muren, een haantje in de gevel, scheepje zeilend op het rieten dak en met ronde pilaren langs een ruim terras.

Gasten kwamen er nauwelijks, er werd noest gewerkt. En niet alleen aan de poëzie. Van Geel tekende honderden vogeltjes op briefkaartformaat en begon dikdoeners te maken. Geïsoleerde voorwerpen, een lucifer, een golfje, een moertje ook weer vastgezet op het vertrouwde briefkaartformaat. Zijn adagium De ene kunst leeft nooit zonder de andere ging meer dan ooit op.

Met de Vijftigers had Van Geel weinig affiniteit, maar des te meer met de dichters en schrijvers die publiceerden in Barbarber. Aandacht voor het gewone ongewone, zoals dat tijdschrift propageerde, lag hem zeer na aan het hart.

Al gauw werd de redactie bedolven onder de bijdragen van Van Geel. Hij publiceerde in die jaren in. Door Elly de Waard, die over popmuziek schreef in Het Vrije Volk en later in de Volkskrant en Vrij Nederland, kwam hij in contact met een tot dan toe voor hem onbekende cultuur, die hem zeer boeide.

Samen bezochten ze het legendarische concert van The Beatles in Blokker en Van Geel werd ook een trouw lezer van het blad Hitweek. Er ontstond een intense vriendschap met de Utrechtse kunsthistoricus Jan Emmens, die zelf voornamelijk in Tirade gedichten publiceerde.

Hij werd een van de belangrijkste nieuwe tuttelaars van Van Geels poëzie. Zijn derde bundel Het zinrijk, die in verscheen, was voor een belangrijk deel mede door Emmens samengesteld.

De ik-figuur van dit werk is een scherp waarnemer en een bezield registrator van de allesoverheersende regelmaat van de seizoenen, maar hij ervaart zichzelf daarin als een voorbijgaand verschijnsel.

Deze gedichten zijn tegenstanders van grootspraak en, zo fantastisch als ze zijn, richten zij zich tegen alle vormen van zinsbegoocheling zonder zich over het vermogen om ons aan zinsbegoocheling te onttrekken veel illusies te maken. Emmens heeft in dit korte bestek misschien wel het meest kernachtig de essentie van Van Geels werk aangeduid. Willem Jan Otten en zeker T. Hun eigen werk, en ook dat van bijvoorbeeld Robert Anker, draagt de sporen van Van Geels poëzie en zeker van diens syntactische opvattingen.

Eigenlijk meende Van Geel dat je een dichter pas echt kon leren kennen uit één bundel, het Verzameld werk. Enkele Gedichten is te beschouwen als een vooruitgave van een uitgebreidere bundel en vormt een keuze uit het eerste gedeelte daarvan, noteerde Van Geel achterin deze uitgave.

Hij werkte aan tal van projecten die hij tijdens zijn leven niet meer zou kunnen voltooien. Wel verscheen nog Kraaien tellen tot vier , een Barbarber-boek met teksten van G. Brands en tekeningen van Van Geel. Maar het Dierenalfabet, een omvangrijk boek waarin al zijn gebundelde en ongebundelde diergedichten waren opgenomen, verscheen, geannoteerd door Elly de Waard en Tom van Deel vier jaar na Van Geels dood in Ik ben in beesten opgesomd om weerklank die op vleugels gaat.

Willem Jan Otten karakteriseerde deze thematische bundel als volgt: Hoe buitenkantig, beschrijvend deze poëzie ook is, de manier waarop er gekeken wordt verraadt veel meer over een innerlijk, en vooral over de manier waarop dat samengesteld is.

Doordat Van Geel zijn kijken zo precies beschrijft, heb je de illusie zijn binnenwereld te delen. Zo iets is altijd heel geheimzinnig, zeker in het geval van Van Geel die zo stoïcijns is.

Laatste jaren De laatste levensjaren van Van Geel verliepen dramatisch. In december overleed in Utrecht Jan Emmens. Op 11 februari hoorden zij dat hun huis in Groet in brand stond. Toen ze daar arriveerden bleek de atelierwoning grotendeels verwoest te zijn. Duizenden boeken, tekeningen en lp's waren in rook opgegaan. Veel stapels papier konden gered worden, de randen waren weliswaar verkoold, maar het hart van het blad was onaangetast.

Van Geel over de brand tegen Nico Scheepmaker: Zo'n gebeurtenis vindt geen uitdrukking in je werkzaamheden. We zijn zoveel vroeger in ons leven geconditioneerd, dat zulke gebeurtenissen later in je leven geen indruk meer op je maken.

Van Geel en De Waard vonden tijdelijk onderdak in een doorzonwoning in Bergen. Op foto's uit die maanden zie je Van Geel, zittend aan een slootkant, terwijl hij eendjes voert. Veel tekeningen en interieurs variaties op het thema schemerlamp-tafel-stoel bleken door Van Geel gerestaureerd te kunnen worden. In november werd een ruime keuze in Galerie Balans in Amsterdam tentoongesteld.

Ik teken altijd op een hoekje van de tafel of op mijn knie. Wie weet is dat een soort innerlijke benauwdheid. Ik reis ook nooit, kom zelfs overdag niet graag buiten, zei Van Geel tegen Brands. In de zomer van overleed Van Geels zoon Chris. Hij had toen zelf al zijn intrek kunnen nemen in 't Vogelwater: Zwaar van zwanen rust het water tussen oevers uit op grond.

Het voormalige rusthuis ligt ver van de bewoonde wereld omringd door bomen en niet ver van duinen en zee in het Noord-Hollandse duinreservaat.

Hij zou er maar korte tijd van kunnen genieten. Na de kerst in werd hij opgenomen in het ziekenhuis van Alkmaar. Hij bleek ongeneeslijk ziek te zijn, een tumor in het ruggenmerg.

Ook in die laatste maanden bleef hij onafgebroken aan het werk. De tuttelaars kwamen nu op bezoek in de ziekenhuiskamer om alle varianten door te nemen.

Zo werd er tot het laatst gewerkt aan de bundel Vluchtige verhuizing, opgedragen aan Van Geels zoon. Herfstdraad Het enige in deze kamer en in het uitzicht buiten is op het bordes tussen de spijlen een herfstdraad waard om op te schrijven. Maar hij is weg nog voor het werd voltooid, de dove draad van rijm vervuld, gebroken en verwaaid, guirlande, uit wat spint ontstaan. Vergankelijk rag door een nog sterfelijker stof omwoeld, hangt in een boog zichtbaar door rijp, door vrieskou tot bestaan gebracht.

Op 8 maart , dezelfde dag waarop Wim Sonneveld overleed, stierf Chr. Hij werd op Westerveld gecremeerd. Elly de Waard bewoont 't Vogelwater nog steeds. Daar wordt thans ook gewerkt aan de correspondentie en ander nagelaten werk van Chr.

Verantwoording Citaten die in dit artikel zijn opgenomen zijn ontleend aan artikelen die te vinden zijn in: Een bundel over zijn poëzie, oorspronkelijk verschenen in het tijdschrift Raam, nummer mei , vermeerderd met negen nieuwe artikelen, onder redactie van Elly de Waard Utrecht Het citaat van J.

Emmens is afgedrukt op de achterflap van Chr. Stil staan kan ik er niet bij Een blik in het archief van Chris van Geel In de nacht van 10 op 11 februari brandde het huis van Chris van Geel en Elly de Waard in Groet helemaal af.

Een groot deel van het overgebleven archief werd, zwaar beschadigd door de vlammen, opgeslagen bij de Universiteit van Amsterdam. Sindsdien staan de documenten op zolder van het huis in de duinen bij Castricum, waar Elly de Waard na de vroege dood van Chris van Geel in is blijven wonen. Hoewel de overgebleven documenten zijn aangetast door de vlammen en het bluswater, zijn ze grotendeels toegankelijk.

Hier en daar zijn er nog bladen die echt onleesbaar zijn, of die langzamerhand verpulveren door de brandschade, maar een groot deel van de overgebleven papieren is slechts aan de randen aangetast.

Het vertoont een ongewild mooie aanblik: De documenten zijn inmiddels grofweg geordend en langzamerhand wordt duidelijk wat een schat aan literair-historische, nooit beschreven bronnen hier ligt. Want naast de documenten van en over Van Geel, heeft ook een deel van de correspondentie de brand overleefd.

Brieven van en aan schrijvers, schilders en uitgevers uit de tijd dat Van Geel actief was als beeldend kunstenaar en dichter. Van Du Perron tot Bernlef. Van Willink tot Armando. Van Boucher tot Van Oorschot. Het archief moet ooit nog tot in detail ontsloten worden.

Pas dan zullen alle documenten tot hun recht komen en zullen de onderlinge verbanden goed gelegd kunnen worden. De Parelduiker kreeg, op uitnodiging van Elly de Waard, de kans op zolder van huize 't Vogelwater vast een eerste indruk op te doen. Ze is de samensteller van dit Van Geel-nummer. Een groot deel van het archief is overgebleven. Het is veel meer dan de foto's doen vermoeden en mogelijk ook meer dan Van Geel geweten heeft.

In een brief aan Carel Willink schrijft hij op 25 maart Mijn verleden is verbrand. Stil staan kan ik er niet bij. Het leven op 't Vogelwater lijkt nog niet begonnen, schrijft hij aan Ser Prop op 3 juli , Het is één langgerekte voorbereiding en dit zal wel zo blijven voorlopig. Een beschreven pakket correspondentiekaarten, bewaard in het oorspronkelijke doosje waar hij als titel Brandschrift op heeft geschreven, bevat aantekeningen, opmerkingen en aanzetten tot gedichten geschreven in de maand na de brand: Hier staat de uil verbrand en meer wat niet wou branden kijkt op de snelweg uit, geen auto trekt zich iets aan van het weer 31 maart Gewicht Ik ben niet meer geschikt Om op een schaal gewogen.

Op zeer verschillende plekken in het archief komen schema's voor, waarin Van Geel een overzicht maakt van zijn oeuvre-ontwikkeling. Het is triest om te zien hoe de op jarige leeftijd gestorven dichter bundels plande na het jaar van zijn dood.

Uit de hierboven geciteerde brief aan Ser Prop zijn de grootse plannen af te lezen: Wat mijn werk betreft, dat heeft zich nu opgeklaard. Er komt bij Polak dit najaar van mij uit: Enkele Gedichten, produktie ' Vooruitgave van Buiten bereik Nadien 77 Plukstok, een bloemlezing.

Van Geel-Totaal mag, wat mij betreft, dan het licht zien. Ik ben ook dan pas beoordeelbaar, vind ik zelf En aan het eind van de brief schrijft hij: Eigenlijk moet je over je eigen werk zwijgen, schijnt het.

Hou mij aan mijn woord. Opmerkelijk is ook de uitgave van brieven die hij, volgens het ene overzicht in had willen publiceren en volgens het andere in Hij was zich dus bewust van de waarde van het brievenarchief, waarvan vermoedelijk maar een klein deel gespaard is gebleven. De waarde van deze verzameling is niet alleen gelegen in de interessante correspondenten, maar zeker ook in zijn eigen kladbrieven die Van Geel bij de correspondenties bewaarde. Zo zijn de correspondenties in hun geheel te volgen, èn is goed te zien hoe Van Geel zijn brieven schreef De kladbrieven staan bol van de doorhalingen en toevoegingen.

Kenmerkend voor de nauwgezetheid die uit het hele archief spreekt, zijn de verschillende versies die hij van zijn kladbrieven bewaarde. Alleen uit het antwoord is na te gaan wat hij daadwerkelijk heeft verstuurd. Van Geel stond bekend als een goede briefschrijver, zoals blijkt uit het - deels door brandgaten onleesbare - antwoord dat hij van Richard Minne kreeg op een verzoek om een citaat te mogen gebruiken: Het gebeurt wel eens, maar veel te weinig, dat men een brief ontvangt die nog iets meer is dan een vel papier met een datum op en een krabbel.

Iets waarbij ge enigszins verwonderd opkijkt: Hier en daar is er dus nog iemand, die een broertje dood heeft aan de bombast en de intellectuele lulkoek. Om uw eigen woorden te gebruiken. En ge herleest die brief en ge zegt: En ge overknabbelt uw antwoord en de dagen.

Zo komt het, excusez-moi dat het meer dan een maand geduurd heeft vooraleer ik mij aan 't typen heb gezet. Mijn schrift is onleesbaar. Nog eens, dank voor uw brief. Of ge die Harlekijn als epigram moogt gebruiken? Schilder en schrijf gerust verder, zonder te luisteren naar wat de H. Dat de redaktie van Tirade U als dichter zeer apprecieert is hopelijk voor U buiten kijf; zij vraagt zich echter af of U uw talenten ook niet op een ander gebied kunt ontplooien.

De heer Van Oorschot vertelde namelijk dat U zich in Uw brieven een poëziecriticus van formaat toonde. Zoudt U er voor voelen voor Tirade eens over poëzie te schrijven, b. Misschien is er nu gelegenheid een oud plan weer op te vatten, nl. Ware verstaanders Het grootste deel van de nalatenschap die in ordners en dozen op de zolder staat, bestaat uit poëzie. Ruim honderd ordners in rijen gestapeld, gevuld met talloze bladen poëzie.

Nadere bestudering moet nog uitwijzen of er veel ongepubliceerd werk tussen zit, en wat de kwaliteit daarvan is. Maar nog afgezien van het ongetwijfeld interessante ongepubliceerde materiaal, zijn deze stapels fascinerend omdat de werkwijze van Van Geel er zo duidelijk in valt terug te zien.

Van Geel stond erom bekend dat hij zijn werk door een groep vrienden liet lezen en becommentariëren. Deze vertrouwelingen hadden een grote invloed; ze deden voorstellen voor andere woorden en zinswendingen en gaven ook advies over de te bundelen gedichten. Hele pakketten gedichten zijn er bewaard gebleven, met opschriften als: Ter lezing aan E.

Jan Begane grond, ex. Tom en lagen los in Tom-dieren: Er niet meer in. Aan Jan Hanlo schrijft Van Geel: Ik neem Uw oordeel over de gedichten ernstig. U bent een van mijn deskundigen en, anders dan U, lap ik hun oordeel vaak niet aan mijn laars, dat zou mijn belang niet zijn. De kwestie is natuurlijk, wèlke deskundigen. Vogelheerscharen is inderdaad niet helemaal van uw kwaliteit.

Het enige aardige erin vind ik eigenlijk de anticlimax: Maar de eerste drie zijn niet treffend genoeg, vluchten duiven ziet men zo dikwijls zwart-wit, door de lichtwerking van de zonnestralen, al moet ik eerlijk bekennen: Thérèse Cornips, circa ly de Waard. Stuk voor stuk goede vrienden en heel belangrijk voor het werk van Van Geel. De opmerking in een aantekeningenboekje: Ik heb iemand nodig om op te steunen, als een kind bij zijn moeder geldt waarschijnlijk zowel voor zijn dagelijks leven als voor zijn werk.

Zo schrijft hij aan Tom van Deel op 6 februari Mijn onooglijk talent maakt in jouw handen kans op enige toonbaarheid. In een eerdere periode was J. Guépin een belangrijke meelezer. Op 20 mei vraagt Van Geel hem: Ik zou willen dat je van de zomer nog een keer komt, voor laatste lezing. Ook om je te vragen naar de bedoeling, de inhoud, de mededeling van vers voor vers, kort, om niet vervelend te worden. Maar noodzaak om me ervan te overtuigen dat je gelézen hebt wat er staat en dat het er noodzakelijk zo moet staan en niet of wel beter gezegd kan.

Over de nooit verschenen bundel Een jaar in Holland schrijft hij op 3 juli Als je het maar mooi vindt, want ik merk wel, Thérèse en jij zijn de ware verstaanders.

En vele zeer gedetailleerde overwegingen komen in hun correspondentie voor, zoals in de brief geschreven tussen 28 december en 4 januari Wil je in Nacht, regel 2 van onderaf een wit pluk hooi veranderen in een pluk wit hooi. Het is bij nader inzien even goed, bo-. Kan in Thuiskomen landschap beslist niet stad worden?

Ik heb iets tegen landschap en stad klinkt zo goed. Maar ho ik zeur er niet om. Denk er eens over na. Lange tijd leverde Van Geel niets in zonder de instemming van Jan Emmens, soms tot wanhoop van zijn uitgever Geert van Oorschot. Over de samenstelling van de bundel Het zinrijk schrijft hij op 20 september Latere verzen dan uit komen er niet in. Het is de produktie van zes jaar. Jan wil echter nog wat aan de schikking doen.

En inderdaad, weliswaar is het in vier afdelingen door mij opgedeeld maar of de een niet in de andere afdeling hoort moet nog uitgemaakt en ook de onderlinge volgorde staat nog niet vast.

Over een ander boek met tekst en tekeningen veronderstelt Van Oorschot 28 oktober Jan Emmens hebben we immers bij dit boek niet absoluut nodig. Wat het tekstenboek betreft, Jan heeft hiermee inderdaad geen bemoeienis, maar als het af is wil hij het vanzelf in zijn geheel lezen. Als het neerhaalt wat met de andere bundels opgebouwd is heeft Jan gelijk het af te raden.

Van Geel liet niet alleen zijn eigen werk door anderen beoordelen; hij las en becommentarieerde ook werk van zijn vrienden en collega's. In een ongedateerde brief aan Guépin schrijft hij: Het zou mij zeer spijten als ik je stuk ongewijzigd in je boekje moet aantreffen. Aan Bernlef schrijft hij op 12 december Ik ben iemand die soms graag ingrijpt in het vers van een ander.

Ofschoon ik ben benieuwd hoe dàn uw handschrift er uit zal zien dat nu al op een veld lijkt waar woest geploegd is. Een dolgeworden maaier die zich beheerst? Met veel beste groeten, Van Geel. En aan Dick Hillenius - Van Geel fungeerde als een tussenpersoon tussen hem en Johan Polak - schrijft hij op 16 september Bovendien vergelijkt hij de poëzie van Hillenius met zijn eigen poëzie: Ik vind veel verzen met me te maken hebben.

Soms zelfs een zelfde zin of beeld. Vele had ik graag zelf geschreven. Ik ben blij dat ze bestaan. Gedierten Naast het schaven aan de afzonderlijke gedichten besteedde Van Geel veel tijd aan de opbouw van een bundel. Er werd heen en weer geschreven en overlegd over de gedichten die wel en niet in een bundel konden worden opgenomen. Uitgewerkte schema's maakte hij, met indelingen in categorieën. Bij een van de vele versies van Spinroc - dat in gepubliceerd zou worden - zit een pakket blaadjes met indelingen uit , waarin de gedichten ingedeeld worden op inhoud, aan de hand waarvan de volgorde van de bundel wordt vastgesteld.

Van Geel kende eerst betekenis toe aan de gedichten en thema's: Van de indelingen maakte hij dummies. Vele schriftjes en pakketjes papier kent het archief, met een omslag in handschrift, een opdracht, een inhoudsopgave en lege bladen waarop alleen de titels van de gedichten zijn geschreven en soms zelfs alleen de verschillende delen van een bundel zijn ingevuld.

In weer andere zelfgemaakte dummies komen van de gedichten alleen de titels voor en zijn de dichtregels aangegeven door strepen, die wel een regelmatig wisselende lengte hebben, zodat in een oogopslag de typografie van een gedicht naar voren komt.

Soms zijn de regels alleen weergegeven in het metrum, zonder woorden. Een groot deel van zijn tijd moet Van Geel bezig zijn geweest met het zorgvuldig in drukletters schrijven van omslagen en titelpagina's. Een soort bundeling die vaak voorkomt is die van diergedichten. Bij aantekeningen over dieren in zijn werk heeft Van Geel een titelpagina gemaakt met het woord Gedierten dat de lezer in eerste instantie als Gedichten zal lezen.

Ook over de titels van de bundels overlegde hij, zoals blijkt uit de brief van 21 november aan Joop Goudsblom: Ik wilde je in deze brief uit enige ontwerpen voor titels laten kiezen, deed dit ondertussen reeds zelf: Door winter omringd, met wellicht als ondertitel tweehonderd andere gedichten.

Het lezen in de bundel zal je duidelijk moeten maken dat hij zo heten moet. Maar daar zonder, hoe klinkt het? Een andere kandidaat was: Pestilent ongemakkelijk Van Geel moet veel waarde hebben gehecht aan de opdrachten die hij in zijn bundels liet opnemen. Bij de eerder genoemde oeuvre-overzichten zijn steevast de mensen genoemd aan wie de bundels opgedragen werden én zouden worden.

Zo blijkt uit een overzicht dat hij de bundel Het zinrijk aan E. Hermans had willen opdragen. In een brief van 21 maart , die in drie kladversies bewaard is gebleven, blijkt hij Hermans om toestemming gevraagd te hebben: De nieuwe bundel hoop ik aan U op te mogen dragen. U moet echter goedvinden dat u de opdracht deelt met de nagedachtenis aan E.

Van Geel voelde zich verbonden met Hermans, zoals blijkt uit de brief,. Ik vraag het U om de navolgende redenen: U bent de enige schrijver in Nederland die telt. Uw invloed onderging ik.

Uw Tranen der acacia's vind ik een meesterwerk. Ik deel Uw somberheid. Ik deel Uw afkeer. Uit de uitleg waarom hij dat voorwoord niet zelf kan schrijven, is veel op te maken over Van Geels houding ten opzichte van de beide kunstvormen die hij beoefende: Ik kan dat zelf niet. Met mijn gedichten hebben de tekeningen zo weinig gemeen dat ze naast elkaar, elkaar niet verdragen.

De tekeningen zijn rechtstreeks neergeschreven i. Wat Hermans hiervan vond is niet bekend; in het Van Geel-archief zitten geen brieven van Hermans en volgens de catalogus van het Hermans-archief heeft Hermans wel twee brieven van Van Geel ontvangen, maar hem geen brieven gestuurd.

Van Du Perron had de jarige Van Geel ruim twintig jaar eerder wél antwoord gekregen. Niet op een verzoek om toestemming, maar op een zeer bewonderende en zeer lange brief met Van Geels interpretatie van La Condition Humaine en Het land van herkomst. De brief van Du Perron is nogal vaderlijk van toon, maar wel bemoedigend: Uw lange brief heb ik natuurlijk met belangstelling gelezen. Is het noodig dat u - zij 't dan voor uzelf - zoo met tussenzinnen en haakjes vertel[t]?

Is dit het kenmerk van de tegenwoordige jeugd, om aan 3 dingen tegelijk te denken, zichzelf in de rede te vallen, allerlei bezwaartjes vooruit te ondervangen, etc.? Wat moet dat pestilent ongemakkelijk zijn! Ik zou 't toch maar zien af te leeren, als ik u was. Het versterkt uw onzekerheid, en waarom? Naast de vele instemmende citaten uit het werk van Hermans die op diverse plekken in het archief aangetroffen kunnen worden, komen er in de correspondenties ook minder bewonderende passages voor, zoals in een halfverbrande brief aan Joop en Maria Goudsblom van 5 juni Het Sadistisch Universum er staat: Sadistische en de Mandarijnen hebben trouwens Hermans kansen sterk doen dalen.

Hoe vermakelijk en soms hoe juist ook, niet vermakelijk en niet juist genoeg om hem een grote geest te noemen. Maatschappelijk nut In het archief zijn tijdschriften en knipsels bewaard gebleven. Ze bevatten werk van Van Geel, maar ook recensies over zijn werk. Bij de verschijning van Spinroc zijn er veel recensenten die een verklaring proberen te zoeken voor het feit dat de debutant niet jong is.

Er staat ook dat ik gewacht heb met publiceren tot ik net zo ver was als mijn generatiegenoten. Ik zou willen vragen: Heb ik het heus niet verder gebracht?

Ik ben door mijn zwijgen en afzondering zelfs aan wie rond ' '20 geboren zijn onthecht. Ik voel me meer verwant aan Nescio en Kemp dan aan de jongens en meisjes die met mij op school hebben kunnen zitten. Een oude heer dus. In werkte hij mee aan vier groepsgedichten in het tijdschrift De Schoone Zakdoek. In publiceerde hij gedichten in het boekverkopersblad De Weegschaal van uitgeverij West-Friesland en in een bloemlezing voor het onderwijs van dezelfde uitgever.

Uit het archief blijkt dat Van Geel al in de Tweede Wereldoorlog plannen had voor een bundel. De Zaanse drukker en latere uitgever Klaas Woudt schrijft hem op 20 oktober een inmiddels door brand, water en ouderdom slecht leesbare brief: Natuurlijk wil ik Uw bundeltje verzorgen. De enige voorwaarde is dat U geen onmenschlijk groot formaat ervoor kiest; mijn degelpers verwerkt slechts de kleinere formaten.

Is er een mogelijkheid dat U naar Zaandijk komt om Uw wensen omtrent de uitvoering van de bundel te bespreken en om de tekst, ook de titel en het colophon, te brengen? Per brief wordt dat een eindeloos heen-en-weer geschrijf. Deze bundel is nooit verschenen. In hetzelfde jaar als zijn publicatie in Criterium heeft hij een of hetzelfde? Wij vinden het voor De Baanbreker minder geschikt. En in blijkt Van Geel nog een poging ondernomen te hebben bij Libertinage, een volgend tijdschrift van Van Oorschot.

In de brief beschrijft Van Geel zijn schroom na het publiceren van Twee fragmenten uit: Bij het graf van een Atties meisje in Criterium: Gaarne zag ik bijgaande gedichten in uw tijdschrift opgenomen.

Ik doe u dit verzoek na langdurige overweging, niet slechts omdat ik tot mijn spijt overhaast met slecht werk in Criterium debuteerde, maar ook uit een behoefte tot verschuilen, tot niet meedoen, ben ik huiverig voor publicatie. Het hoofdzakelijk maatschappelijk nut dat publicatie voor me kan hebben, deed mij echter uitzien naar een tijdschrift van onze generatie, waar nog enige verwantschap mee te voelen is. De bedoelingen van Libertinage nu trokken me.

Misschien vindt u van uw kant iets in dit werk? Deze bundel, Tussen seizoenen, is door Van Geel teruggetrokken omdat hij er niet meer achter. Ik had intussen veranderingen in de gedichten aangebracht, de vorm was achterhaald, vertelde hij in aan Ivan Sitniakowsky. De aanloop was al problematisch genoeg. Van Geel had met moeite het fiat van Van Oorschot, de uitgever van zijn pas verschenen bundel, gekregen. Johan Polak, tussenpersoon tussen uitgeverij Boucher en Van Geel, noemt Van Oorschot wat imperialistisch voor zijn uitgaven.

Begrijp mij goed, schrijft hij op 18 november , Ik voel mij aan Polak verplicht in verband met dat Nieuwe Voorhout-boekje. Denk jij echter - ik kan dat inderdaad niet overzien hier in mijn uithoek - dat het verkeerd is, schrijf me dat dan. Ik hou de inzending nog vast. Zeg nu niet dat je me niet moreel kan dwingen of iets dergelijks. Ik voel me beslist niet onderhorig aan je, maar het kan gewoon practisch een verkeerde zet zijn. Zeg dat dan, want, als gezegd, ik heb daar geen verstand van.

Van Oorschot antwoordde hem in een brief van 1 december waarin hij even orde [wil] stellen op de zakelijke kant van onze relatie: Ik vind het niet verstandig dat je je boekje bij Polak uitgeeft en ook niet dat je in andere bladen gedichten publiceert. De solidariteit tussen uitgever en schrijver moet m. Dat is zakelijk alleen maar verstandig. Maar behalve zakelijk is het ook, althans voor mij een bron van vreugde.

Ik begrijp natuurlijk volkomen hoe je door maatschappelijke omstandigheden gedwongen was het boekje bij Polak uit te geven. Na veel heen-en-weergeschrijf tussen Polak en Van Geel was de bundel samengesteld en ontving Van Geel een drukproef. Op 18 november schrijft hij aan Polak: Even snel een protest tegen de pretentieuze opmaak van Tussen Seizoenen: Een juwelen etalage of een voor dure parfums.

Iemand vertelde mij eens in een exclusieve parfumerie in Parijs één lippenstift in het midden van een witfluwelen etalage te hebben zien staan, meer niet. Ik berust evenwel bij voorbaat, om niet nog meer oponthoud te brengen. Staat er achterin het boekje iets over de boekverzorging, zodat de schrijver zijn handen in onschuld wassen kan? Ik heb altijd gehouden van een minuskuul letter en een onder-elkaar-druk o.

Nu schrik ik natuurlijk van het opgepoetste, zo niet opgeklopte. Je kunt het valse bescheidenheid noemen maar hinderlijk blijft het voor wie zich een leerling voelt in de school der poëzie. Begrijp goed, het is geen verwijt, maar het vaststellen van een ander standpunt. Een druk als deze acht ik alleen geschikt voor de 20 of 30 meesterwerken van de reeds oudere auteur.

Een ongewend zijn aan luxe speelt bij mij natuurlijk ook mee. Op de achterkant van zijn kladbrief krabbelde hij nog: Zou ik het vooruit hebben geweten, dan zou er hier en daar een getekende vogel de bladzij benut kunnen hebben.

Komt er een colophon achterin? Dat zou de aandacht van de auteur iets afleiden. Zal de lezer niet denken dat de helft van de tekst eruit gevallen is? Een kwestie waarover hij, overigens, een klein jaar later precies het tegengestelde beweert in een brief van 14 augustus aan Van Oorschot: Ieder vers op een aparte bladzij lijkt me heel gewoon.

Niet dus onder elkaar als de verzen van D. Het wit is een taal! Gedemonteerde horloges liggen bij iedere horlogemaker apart, soms ook onder een omgekeerd glas zonder voet. Gedichten moeten de ruimte hebben om gedemonteerd te kunnen worden voor wie daar plezier aan beleeft. Na een sussende brief van L. Boucher over de pretentieuze opmaak is het eerste teruggevonden alarmerende briefje van Van Geel aan Polak van 20 juni Kan je binnenkort eens aankomen? Ik moet ernstig [doorgestreept] met je spreken over Tussen Seizoenen.

Kan je niet, dan zal ik naar jou toekomen. In een volgende brief aan Polak van 28 september blijkt de beslissing tot vernietiging van de oplage al genomen te zijn: Mooi dat de vernietiging kan aanvangen. Ik zal er werk van maken zodra ik even vrij ben, in die tentoonstelling verdrink ik. Ook werk maken van verzekering van vernietiging. Hoe verkrijg ik die? Ik verbrand ze liever zelf - kom je er aan warmen!

De cirkel is rond als uit het archief blijkt dat Van Geel aan Van Oorschot op dezelfde dag heeft geschreven: Van Polak kreeg ik bericht dat Boucher hem het voorstel gedaan had de oplage van Tussen Seizoenen te vernietigen. Je weet nog dat ik de uitgave wilde intrekken, dat Polak dit ook wilde, op andere gronden, nl. Hoe verkrijg ik de zekerheid dat de zaak werkelijk vernietigd wordt? De exemplaren heb ik hier, maak ik er deze winter de kachel mee aan, dan weet ik zeker dat ze uit de wereld zijn.

Van Oorschot antwoordt op 1 oktober dat Boucher in dit opzicht volledig te vertrouwen is. Buitenstaander en sleutelfiguur Zo zijn er zaken die door het archief iets duidelijker gemaakt kunnen worden, maar in het geval van de teruggetrokken bundel Tussen seizoenen ontbreekt helaas het definitieve besluit. In het archief zijn vele plannen en dromen, ontstaansgeschiedenissen en mislukkingen, zakelijke en vriendschappelijke relaties op de voet te volgen. Door de brand is het willekeurig wat er is overgebleven, maar uit wat er rest komt een duidelijk beeld naar voren van Chris van Geel; de dichter die ook beeldend kunstenaar was; de voor de kunst en altijd in geldgebrek levende dichter; de hardwerkende, precieze dichter die als een buitenstaander naar de rest van de wereld keek, maar die door zijn verbondenheid met verschillende kunsten en verschillende generaties als een sleutelfiguur in de kunst van de twintigste eeuw beschouwd kan worden.

Jan Hanlo Brieven red. Ser Prop et al Amsterdam deel I. Het archief van Hermans is helaas slechts sporadisch voor onderzoekers toegankelijk. Een gedicht moet veel wit hebben. Algemeen Handelsblad 23 november Grönloh, alias Nescio, en Chr. Daar zijn verscheidene redenen voor. Grönloh was liefst 35 jaar ouder dan Van Geel. Hij had qua leeftijd diens vader kunnen zijn. Toen zij elkaar in te Amsterdam leerden kennen in de studentenwoning aan de Nieuwmarkt van Enno Endt en diens toenmalige vriendin Toos Pechmann-Noach, een kennis van Grönlohs dochter Miep, bezat Nescio reeds decennia lang een legendarische reputatie in de literatuur.

Van Geel daarentegen was nagenoeg onbekend; hij had een paar gedichten gepubliceerd in een tweetal tijdschriften en ooit een aanprijzend essay over het surrealisme. Nescio en het surrealisme zijn onverenigbare fenomenen. De adoratie, als ik het zo mag noemen, van de Forum-voormannen liet de schrijver van de Titaantjes langs zich afglijden.

Een poging tot persoonlijk contact van Ter Braak wimpelde hij af met een excuus in de trant van aan mij valt niets te beleven. Vestdijk, Bordewijk, al die grote namen, hij kreeg hun boeken niet eens uit. Daar begint de connectie tussen beiden. Toen hij door Jan Geurt Gaarlandt in werd benaderd in verband met een speciaal aan hem te wijden nummer van het tijdschrift Raam, stelde hij ironisch voor: De figuur van de vergeten dichter behoort tot de geïdealiseerde romantische voorstellingen omtrent het kunstenaarschap.

Hij schreef de biografie van Menno ter Braak 2 dln , en in verscheen van zijn hand Een misverstand om in te geloven. Dêrnei gau nei de Bres ta, foar in no ek al legindaryske.. Als je het hebt over het bevechten van de eigen grenzen en het overstijgen van de …. Wittgenstein, je reinste apenkool, Schierbeek volkomen overschat gewauwel van een alcoholische octopus in lange …. Webgemms — Mannen aan de kant — 6 augustus Dag fred word jij daar ook zo geil van ik draag ook al jaren dames lingerie en als ik sex met mijn vriendin heb dan heb ik dat ook aan dat ….

In toenemende mate heeft Huub Mous zich ontwikkeld tot de stem van het geweten van Friesland, … http: Om negen uur vertrokken vanuit Garijp naar Amsterdam , parkeren de auto in de Euro parking, brengen het textiel objekt van Ina naar de Lange Leidsedwarsstraat en als blijkt dat Galerie Stov nog gesloten is, lopen we de Kerkstraat in naar de zeefdrukkerij van Hans Jansen.

Hij laat ons fotos zien van zijn tweede huis in Zweden, daarna toont hij trots zijn nieuwste tentoonstelling naar de laatste mode van het ogenblik in de stijl van de nieuwe wilden.

Ik vind het helemaal niets maar wil beleefd blijven. Een zeefdruk van Jean Paul Vroom hangt aan de achterkant van een expositieschot achter een scheidingswand. Prima plaats voor de zouteloze, krijterige, vlak geschilderde modieuze onzin van Jean Paul,volgens Els Bouma, echtgenote Prof.

Ina gaat terug naar Galerie Stov en ik breng de tijd door in een paar boekhandels en antiquariaten, loop even de Looier binnen, daarna de Oude Manhuispoort langs de boekenstalletjes, maar vind niets van mijn gading en loop vervolgens naar Galerie Mokum , waar als ik binnenkom de dikste schilder van Groningen, Wout Muller ,   me wantrouwig zit aan te kijken met een uitgesproken vijandige, sjaggerijnige varkenskop, zijn brilleglazen ter dikte van colafles bodems maken hem er niet fotogenieker op, zijn gerafelde peper- en zoutkleurige, gore befbaard is vettig en ongewassen, hij is een nietszeggende figuur, letterlijk en figuurlijk, ik geloof niet eens dat hij behoorlijk kan praten, hij heeft ook niets te zeggen, net als zijn schilderijen, goedkope, flauwe, smerige Melle imitaties van wijd opengesperde kutten, buitengaatse bovenmaatse tieten en King Size lullen die op iedere cover van een homo fiksieboekje een ereplaats in de serie De Grootste Ter Wereld zouden kunnen krijgen.

De broek van Wout uiteraard een versleten levis jeans vol verfvlekken, ongepoetste wetkmansschoenen en een donkerblauwe acryl schipperstrui met een half openstaande rits doen reeds van een kilometer afstand vermoeden dat we met een provinciaaltje te maken hebben. In Galerie Mokum hangen nog steeds dezelfde truttige schilderijtjes als twintig jaar geleden.

Er zit geen enkele ontwikkeling in het expositiebeleid. Kleurige, glad geschilderde commerciële plaatjes van vette trollen met zes dikke tieten onder elkaar waar een stoot trollen koters aan dikke koeien spenen hangen te lebberen moeten de klant verleiden tot kopen. Nep- en namaak Surrealisme voor eigentijdse en toch moderne mensen met een Avenue interieur. Ik geef Janna van Zon , die er ook allemaal niks aan kan doen als opvolgster van de jam merlijk omgekomen vorige galerie eigenaresse Dieuwke Bakker , een warme hand.

We hebben elkaar jaren niet gesproken. De laatste keer was in het Stedelijk Museum in Even diplomatiek als angstig had ze in het konflikt tussen Dieuwke Bakker en mij instinktief de kant van haar werkgeefster gekozen, ondanks dat ze wist dat Dieuwke ongelijk had. Inmiddels is Dieuwke dood en heeft het konflikt daarmede zijn bestaansgrond al lang verlo ren en ik kende geen rancunes ten opzichte van Janna, integendeel.

Ze vertelt met medelijden in haar stem over de begaafde schilder Wout van Vliet die na de dood van Dieuwke tot volledige lethargie is vervallen en niet meer kan schilderen, anders gaat zijn hand trillen.

Inmiddels heeft zijn wijf, Marry , hem verlaten, de kinderen te bang om hem ooit nog te willen zien en is de eens zo voorspoedige carrière van de weldoorvoede kunstenaar op het nulpunt beland, sinds hij als enige artistieke bezigheid wasknijpers mag maken op de arbeidstherapie van de psychiatriese inrichting waar hij intern vertoeft.

De laatste keer dat we Wout en Marry zagen was in   Galerie 51 te Ede. Zij een gebogen gestalte; hij maf geslagen door de antidepressiva met een pens zo groot als een oversizede bokszak. De Zeeuwse schilder Teun Nijkamp die een Linguaphonecursus van het Waterlooplein haalde om Engels te leren voor zijn aanstaande carrière in de Verenigde Staten. Aan de rechtermuur van de galerie hangen een paar snel in elkaar geveegde krijt tekeningen van Cornelis Doolaard , die geen schijn meer is van wat hij ooit geweest is.

Gelukkig voor hem heeft zijn echtgenote Loes maar één keer vreemd gegaan, net als Cornelis, die het lieve, slanke, donkerharige vrouwtje van een nu al lang overleden Amsterdamse surrealist, die in de Watergraafsmeer woonde eenmalig tot de zijne maakte, beschroomd de schaamte van mej. Nog even komt de volgens Janna van Zon onbetrouwbaarheid van Chris van Geest ter sprake en daarna het lievelingsonderwerp van Janna; alternatieve geneeswijzen, Japanse massage en biologies-dynamies geneeswijzen en daarna de veel te vroege dood van haar echtgenoot Egbert , die als fotograaf binnen korte tijd kwalitatief steeds beter werd na zijn vertrek bij het Vrije Volk.

In bezochten we Janna en Egbert van Zon eenmalig in hun nieuwbouwwoning in Amstelveen. Ik negeerde haar opmerking. Ik loop om half zes naar Arti et Amicitiae aan het Rokin , tien minuten later komt Ina met Natasja binnen en twee minuten later komt Janna binnen.

We spreken af elkaar gauw terug te zien, samen eten met ons in Arti kan niet, ze moet naar een cursus shiatsu. Ina, Natasja en ik eten een kogelbiefstuk met een paar struikjes lof, kiwi, frites, een rode wijn en voor toe de onvermijdelijke dame blanche zoals altijd. Ik koop op de terugweg naar de garage waar de auto staat een biografie van Jack Nichol son in de Amerikaanse boekhandel in de Kalverstraat.

Op de juiste tijd op de juiste plaats! Achterin het vuistdikke boek staat een bibliografie en een uitgebreid personen register…. Fred van der Wal: Gisteren las ik de eerste van de vuistdikke biografie van Simon Posthum a. De eerste weinig interessante paginas spelen zich af in Nederland, in het bijzonder in Amsterdam waar Simon in de Leidsepleinkliek rond Vinkenoog c.

Het is een weinig verheffend milieu dat ik zijdelings leerde kennen toen ik na tien jaar afwezigheid weer terug keerde in Amsterdam begin mei en na twee relaties met vrijgevochten Leidsepleinmeisjes   die alles neukten wat los en vast zat, steeds kritischer tegenover het hippe gebeuren kwam te staan. Een weinig constructief, hedonistisch, wazig gezelschap. Maatschappelijk wrakhout zonder doel. Ik had er snel genoeg van. De hippie movement begon met een sprankje licht en eindigde al snel in de totale duisternis van drugs- en drankverslaving, geslachtsziekten en waanzin.

De ene helft van de hippos zit in het gekkenhuis, de andere helft in de bajes of is dood. Diverse Nederlandse kunstenaars en figuranten uit het boek A Fool such as I ontmoette ik een of meerdere malen of kende ik via via van horen zeggen. In de biografie komt de talentloze contraprestatieschilder Simon Posthuma als de voorman van het hippe leven in de hoofdstad naar voren, maar laat de rol van de meer talentvolle Marijke Koger onderbelicht.

Het werk dat Posthuma maakt is typerend doorsnee contraprestatiewerk. Kwalitatief ver beneden de maat. De namen Simon en Marijke kende ik uit een artikel begin jaren zestig in een Belgisch blad met een artikel over de uit Amerika overgewaaide en door de Amsterdamse artistieke incrowd geïmiteerde Happenings. Ik vond het toen al passsé overflaakkee. Het failliet van de abstracte schilderkunst. De Amsterdamse Happenings werdend begeleid door de aanwezigheid van schertsfiguur Simon Vinkenoog die overal een duit in het hippe zakje deed als het persoonlijke publiciteit opleverde.

Ik stuurde een week geleden Marijke Koger een mail waarin ik haar toestemming verzocht   tot reproduceren van een afbeelding van haar werk. Marijke blijkt haar Nederlands totaal vergeten en antwoordde in het Engels, het van ouds her modieuze chantage taaltje van de hippies. De hoes; een icoon. Al enkele jaren werkt Simon Posthuma aan zijn autobiografie. Op Ibiza in , Beatniks-pleisterplaats, waar schrijver-kunstenaar Jan Cremer voor enkele weken bij hem introk.

Steeds was Posthuma op het juiste moment daar waar het gebeurde, en zo kwam hij in de jaren zestig en zeventig in aanraking met de voorlopers in de populaire cultuur. Posthuma Zaandam, wilde schilderen. Na de militaire dienst te zijn uit gechopt met S 5 leek een gerieflijk leven in de kunsstenaarssteun hem wel wat. Hij betrok een pand op het Kolkje aan de Zeedijk in Amsterdam , en belandde in de kunste naarsscene van het Leidseplein.

Op een regenachtige dag in ontmoette hij daar Marijke Koger , een talentvol illustra trice. Posthuma droeg een groen pak. Hij droeg langmouwige zijden blouses, gouden kettingen, rode knielaarzen en een bedrukte Turkse broek, vaak bedekt met een lange rode mantel. Ze willen de supreme power leren kennen: De typerende, vage hippietaal met het obligate stopwoord weetjewel, dat op slordige wijze een vooronderstelling suggereert.

En ik zei dan: The Fool is een hele goede kaart! Simon Posthuma en Marijke Koger gingen precies op het goede moment naar Londen , en maakten daar indruk met hun psychedelische schilderingen, in een vloeiende namaak Jugendstil stijl, alleen heel wat slechter.

Maakte niets uit; de popmusici en fans van pop muziek haden toch geen smaak. Vooral de popartiesten van toen, de Beatles en de Hollies , waren onder de indruk, en Simon en Marijke beschilderden onder meer de muren van de Apple-boetiek in Londen en een enorme schildering in het Aquarius Theater op Sunset Boulevard in Los Angeles , en ze maakten onder veel meer ook nog de hoes voor Evolution, de meest psychedelische plaat van de Hollies.

Toen The Fool uit elkaar ging maakten "Seemon and Maryke" nog een langspeelplaat, waar deze single van getrokken werd. De b-kant werd blijkbaar gemaakt op een tekst van Simon Vinkenoog. De muziek is hooguit als curieus te omschrijven. Aandoenlijke hippiemuziek, die de tand des tijds niet heeft doorstaan, vrees ik.

Maar Simon en Marijke hadden in de jaren zestig wel degelijk hun "moment of fame". In keerde Posthuma terug naar Amsterdam. Als beeldend kunstenaar maakt hij werk dat goed, maar niet opzienbarend is. Marijke blijft aan de westkust van Amerika wonen en schil deren, en haar werk kunnen we nog het beste omschrijven als edelkitsch.

Bij een dip zegt hij p. Toch relativeert Simon deze periode als hij p. Enkele huwelijken en diverse relaties armer, maar veel herinneringen rijker. Barry Miles was een protagonist van de jaren zestig en de beat.

Een wonder dat die plaat ooit is verschenen. Maar de hoes was prachtig, een van hun kunstwerken. Ik steldde voor een strip tekening van haar die nog enigszins een relatie met de werkelijkheid had te reproduceren. Ze gaf haar toestemming maar vroeg waarom ik niet voor haar schilderijen koos. Ik legde uit dat ik een liefhebber van het realisme ben. Haar visie op de biografie van Simon Posthuma loog er niet om. Het boek, dat een hoog, opgeklopt Ik Jan Cremer gehalte heeft   hangt aan elkaar van opzettelijk gedane verdraaide feiten ter meerdere eer en glorie van Simon , deelde ze per mail mee.

De schilderijen van Simon zijn niet om aan te zien. Geruime tijd werd hij vertegenwoordigd door de in kunst van modekunstenaars handelende, al lang failliet gegane Galerie Brinkman uit Amsterdam. Op zijn best illustraties bij Sprookjesboeken. Over blijft de petite histoire van een paar omhoog gevallen Amsterdammers, als decoratieschilders geaccepteerd in het internationale pop milieu waarvan de belangrijkste kapitaalkrachtige vertegenwoordigers niet uit blonken in intelligen tie en smaak, noch in intellectuele ontwikkeling en scholing.

All photos unless otherwise indicated are not taken or owned by me. They are used solely for the purpose of discussion, comment and as a visual aide to convey the beauty of the object to you, the viewer. These images are not intended for any commercial purpose. Marijke Koger gave permission to reproduce on this page  her paintings.

Wittgenstein, je reinste apenkool, Schierbeek volkomen overschat gewauwel van een alcoholische octopus in lange broek, Lucebert, nonsens rijmelarij van een schavuit die niet kon schilderen en schrijven, allemaal voer voor AA Academische Arrogantie lijders, dikdoeners en pseudo intellektjuwelen. Nog even terugkomend op Ernst-Jan Engels die zijn atelier had in de voormalige school in Tweede Nassaustraat, waar jij destijds ook een atelier hebt gehad.

In werkelijkheid was hij niet de geadresseerde. Dat was Jacob Cals, wiens identiteit volgens afspraak geheim moest blijven. Ernst-Jan Engels is overigens wel een bestaand persoon. Hij was destijds een jong kunstenaar die was opgeleid aan de Rietveld Academie.

Hij raakte bevriend met Reve, nadat de relatie met Jacob Cals verbroken was. Jacob Cals overigens geen zoon van de ex-minister-president was ook een jong kunstenaar, die opgeleid was aan de Koninklijke Academie voor Beeldende kunsten in Den Haag. Jacob Cals kreeg- nadat het uit was met Reve — een relatie met Johan Polak, die later grote stennis maakte over het feit dat de brieven aan Jacob Cals alsnog waren gepubliceerd. Blijft de vraag wanneer de relatie tussen Reve en Ernst-Jan Engels zich nu precies heeft afgespeeld.

Ik schat in In de literatuur over Reve — en de inmiddels verschenen brievenboeken — vind ik daar heel weinig over. Je herinneringen aan hem zouden mij verder kunnen helpen. Kun je nog eens iets meer over hem schrijven, liefst met exacte data?

Je zou me daar een groot genoegen mee doen. Ik heb één keer voor zijn poes gezorgd op zijn atelier toen ie naar die promiscueuze homo van het Reve ging en in een prentenkast op zijn atelier zitten rommelen waar wat slechte fotootjes van blote jochies in lagen, hetgeen mij weinig zei.

Ik heb niks met jongetjes. Die totaal talentloze lummel van een Ernstjan Engels had het voor elkaar gekregen van grondbedrijf dattie het naastliggende atelier ook nog bij het zijne kon trekken en de scheidingsmuur weg geslagen.

Je was het neukie van Reve of je was het niet. Die ateliers waren schoollokalen van 8 x 8 ongeveer dus meneer had voor Amsterdamse begrippen een luukse ruimte van hebbikjou daar voor een krats alleen omdat ie zijn lul liet pijpen door die schandaalauteur. Huub Mous deed bij die slappe pik begrijp ik nog niet en pleit niet voor hem. Ik meed ErnstJan als de pest, maar ben iets zakelijker ingesteld dan een kunsthistoricus.

Hij kocht voor en paar knaken kitsch schilderijtjes op het Waterlooplein op en onder tekende die met zijn naam, die werden dan gotbetert door de kritiekloze contraprestatie commissie in Amsterdam voor gulden per stuk aangekocht. In die commissie zat een buurman van mij van de Bilderdijkkade, een totaal talentloze luiwammes, een epigoon en een jatmous, die Matta naschilderde en elke keer tegen aankoop van mijn werk stemde, maar dat maakte niks uit, want de andere commissie leden stemden voor.

Nou wil ik ook weten of jij je lul kermis hebt laten vieren tussen die achterwangen van die lummel. Heb je je door die lamzak van een ErnstJan soms laten neuken of omgekeerd? Je moet het wel eerlijk zeggen, anders zwaait er wat. Nou zaten in dat gebouw wel meer hele en halluvve garen, communissten, occultisteen, sterrenwwichelaars, profeten van het ongerijmde, idioten, junkies, dieven, een moordenaaar, balletdnsers, amateurhoeren en krankzinnigen, dus een waanziinige  meer of minder maakte niks uit.

Ik ging elke dag met een bezwaard hart naar dat halve garen asiel aan de tweede Nassaustraat 8 waar je op de lucht van hasj de gangen door dreef. Het halve zolen paradijs op kosten van de subsidie. Een korte tijd liepe Jacqueline de Jong er rond, een hoera trut die zich door die klad schilder Jorn had laten innaaien plus klaar beffen en bevriend raakte met het wijf van de nep en namaak fotograaf X.

Of neem nou uit dat gebouw een andere arrogant kaatje kippekop, de schilderes Christine K. Ze heeft niet haar zin gekregen. Zo kan ik over dat atelier complex nog wel even door gaan. Luchtfietsers en kleiduikers, zuipschuiten en junkies. Waar Ik kom altijd ruzie? Allemaal gelul en napraterij!

Ik stop nog dagelijks een tulp in mijn gulp of een catus, gevlochten madeliefjes in mijn haar en een zonnebloem in mijn Luger.

Niet dat ik een doorgewinterde pedo ben, maar soms denk je wel eens van,euh…. Die parties van mannen die van mannen houden, elkaar drogeren en daarna uit solidariteit elkaar even in de achter rozet injecteren met aidsbloed; het moet kunnen.

Dat daar nog straf op staat. Wie geeft zal ontvangen. Het zal de moderne tijd wel weer wezen. Yin en Yang en zo. Ga ondanks alles frank en fier de toekomst van overmorgen tegemoet zoals het de ware artiest betaamt, want ik doe het niet voor minder als laatste der Mokihanen, gotsamme! De Platvoet indianen dus. Laat ik eens eerlijk wezen.

Wie mij recht op de bek pakt heeft gelijk een besmetting te pakken met een schier ongeneeslijke ziekte van waar geen terug keer meer mogelijk is. Bloed is dikker dan water. Le sang est plus doux que le miel. En wie blijft onderdehand daar in beemd en veld maar oeverloos voort klepperen met zijn onbehouwen hoeven als een aftands, blind Fries molenpaard met oogkleppen tot aan de hori zon?

Of was dat een ander boekje met kauwgomplaatjes van Roy Rochus; de zingende cowboy? Ik zeg maar zo; ik zeg maar niks. Tegen een Onbekende Stille kun je lullen tot je een ons weegt. Nou, meneer, wat mij betreft: De Ballen, want om de Willem de Zwijger uit te hangen aan tafel met een bord vol hangop; op schieten doet het niet! Je hoort wel eens zeggen door kunstbobos dat over het werk van de kunstartiest de hitte des daaags en de koude des nachts overheen moet gaan.

Stop het allemaal maar in mijn vette reet die filosofieën. Zelf   schuilen de Art Consultants als Bobos met een design bril bij de open haard met een Sjatto nuf du paap en de Tableau in de hand. Het geëpileerde vrouwtje weelderig uitgespreid op de bank. Wie haar dijen spreidt, verspreidt gezelligheid. Daar ging het toch ook om; spreiding van macht, kennis èn de achterpoten.

Laten we nou wel wezen. Afknijpen Van der Wal, dat doe je veel te weinig. Weet je wat jij moet doen, Van der Wal, je moet alle bagger die je in de duisterste spelonken van je troebele geest kunt verzamelen boven op mijn kop uit schijten, daar zijn ze dol op hier in Fryslân! Je hebt ooit een club van gefrustreerde kunstenaars opgericht, daarmee was je je tijd ver vooruit. Gooi al die stront er in één keer uit! Verzin het ergste wat je bedenken kunt, kom klaar, ruk je af en kots al je verzuurde braaksel op mijn kruin!

Je zult er wèl bij varen …en ik ook! Overmorgen word je breeduit geciteerd in de Leeuwarder Courant. Die pissenbedden daar krijgen een natte broek van jouw verrotte kots-uitlatingen. Ze lusten er wel pap van! Ik zie hem nu al voor me. Weet je wat het is, Van der Wal, eigenlijk mag ik je wel. Jij schrijft ten minste wat je werkelijk denkt. Nee, dan die impotente zuurpruimen bij de LC, die met rooie koontjes elke dag op hun PC zitten te lezen hoe wij elkaar in de komt naaien.

Rimmer zeg er wat van! Mag ik daar morgen wat over schrijven? Krijg ik dan promotie, Rimmer? Hoe kan ik dat schorriemorrie aan de schandpaal nagelen? Rimmer, ik wil ze naaien! Kom op Van der Wal, gooi er nog een smerige schep bagger boven op! Fryslân heeft daar behoefte aan! Het is is hier huilen met de pet op!

Laat die LC genieten van je vunzige tirades. Ze rukken zich af daar op het de redactie! Nee, nu wordt ie goed! Je bent al weer vreselijk obstinaat. Ik heb geen enkele rancune tegen de Leeuwarder Courant die ik lang met veel genoegen heb gelezen. Ik zie ook geen enkele reden om redac teuren van deze periodiek te gaan beledigen.




Daar kwam net de vermoeide Guldan aangelopen met de hond Max aan zijn zijde. Of, nou ja, voor zover mogelijk. Het bleek dat de streek rond de rivier in de buurt van het klooster nogal onrustig was.

De veerman had geweigerd hen over te zetten in de avonduren en ook in de herberg waar hij overnachtte heerste een sfeer van angst. Aan de overkant van de rivier was het gevaarlijk, zo vertelde men, er verdwenen mensen.

Een handelaar met zijn knecht, die ook in de herberg verbleven, gedroegen zich nogal verdacht. Ook Max vertrouwde het stel voor geen meter. En terecht zo bleek de volgende dag.

Eenmaal aan de overkant werden Guldan en Max aangevallen door een drietal ongure lieden. Het dappere tweetal wist de schurken op de vlucht te jagen maar later zagen ze hen in gezelschap van de handelaar. Met grotere voorzichtigheid ging de zoektocht verder. Guldan ontdekte dat de sporen van Max voor het eerst opdoken vlakbij een stevig luik in een rots. Dit luik was van buiten niet te openen; er zat geen handgreep en ook geen zichtbaar slot op.

Vanaf de rots liepen drie sporen naar een open plek. Een spoor was van Max, maar wel dieper dan gebruikelijk alsof hij iets op zijn rug droeg. Twee andere sporen waren van kleine mensachtige wezens. De sporen kwamen uit op een open plek, waar grote mensachtigen en hun paarden langere tijd gewacht hadden. Hier was een gevecht geweest tussen Max en de berijders van de paarden terwijl de twee kleine wezens, nu vergezeld door een derde kleine mensachtige, haastig waren weggerend richting het oosten.

Er was een bebloed lichaam weggesleept van de open plek en er lag nog een helm. Guldan herkende de helm als zijnde van de soldaten van Khemme, een land wat al heel lang in oorlog was met het land waar de avonturiers zich bevonden. De helm was, op een grote deuk na, vrijwel nieuw. De lieden die Max en zijn metgezellen hadden opgewacht hadden hem achtervolgd toen hij, bij wijze van afleidingsmanoeuvre, richting de rivier was gerend.

Te paard hadden zij hem ingehaald en er was opnieuw gevochten. Uiteindelijk was Max dan in de rivier gesprongen. Vervolgens volgde Guldan het spoor van de drie kleine wezens. Deze hadden zich een tijdje verborgen in een dicht struikgewas alvorens te vertrekken richting het oosten. Daar op de weg die uiteindelijk uitkomt bij het grote onderaardse klooster van Themesta, alwaar de nonnen wonen die de aardegodin dienen, raakte Max het spoor kwijt.

Guldan besloot naar huis te gaan. Die nacht werd hij door Max gewekt. Samen slopen ze naar de rand van de weg en ontwaarden daar een vijftal ruiters die weliswaar geen uniform droegen maar zich verder gedroegen als getrainde en gedisciplineerde soldaten. De maan was fel en de hemel helder en ze konden alles prima zien.

Plotseling kwamen er een paar onguur uitziend types het bos aan de overkant uitgelopen. De ruiters hielden hun paarden in, wisselden een aantal woorden met de ongure lieden en vertrokken toen weer in de richting vanwaar ze gekomen waren.

Hierover had Guldan zijn vrienden reeds per brief ingelicht. Maar zo te zien was hem nog geen rust gegund. Met een diepe zucht draaide hij zich om en rende achter Ludwig, Saruman en zijn kever en de dwerg Sigurd aan. Het festival terrein lag even ten zuiden van de Zuidpoort van Tuangith. Het was een gebied dat van oorsprong voor een groot gedeelte omheind was met een manshoge muur.

Maar in de loop van de tijd was hier en daar de muur ingestort. Lavinia en Grasshopper renden door de meest noordelijke poort het terrein op waar allerlei lieden bezig waren met het opzetten van tenten en het inrichten van semi permanente kraampjes in voorbereiding van het grote feest dat de volgende ochtend zou beginnen.

Enkele lantaarns verlichtten het pleintje in het midden waar bij het standbeeld van een luit spelende troubadour een bekende figuur zat. Het was de eigenaar van de kroeg in het riool, Kyrian Celerath, die merkwaardige in grijstinten geklede man die zo eigenaardig veel tanden leek te hebben.

Hij was bezig iets te snijden uit een blokje hout. Op zich was het vreemd dat hij hier zat want de reisgenoten waren eerder dan hij uit de stad vertrokken en hij had een langere weg moeten afleggen om hier te komen.

Lavinia had weinig tijd voor de man. Dat maakt zijn voorstellingen altijd zo fantastisch. Een paard springt in de lucht, krijgt vleugels, vliegt een rondje of twee en verandert als hij landt in een eenhoorn. Geen levende dieren nodig. Voorbij het oude theater en het druiden bos aan de andere kant van het terrein.

Ietsje later kwam de rest aan. Ook zij stopten even bij de man bij het standbeeld. Hij wilde echter niet zeggen op wie. De man legde uit waar het circus stond en voegde eraan toe dat het hem verbaasde dat de halfling en de panda monnik dachten dat Kunobertus dieren gevangen hield. Als illusionist had hij die niet nodig. Maar misschien was het een poging om zijn verlies van het jaar daarvoor goed te maken.

Toen was bij de laatste voorstelling van het seizoen de bliksem ingeslagen in de tent met als gevolg een dode en zestien gewonden voordat het vuur geblust kon worden. Dat had hem toen veel geld gekost. De tent was in vlammen opgegaan en hij moest op de pof een nieuwe tent kopen bij de gebroeders Melkor. Voorwaar een dure grap. De reisgenoten bedankten hem en holden in de aangewezen richting, voorbij het druiden bos waar de muur grotendeels was afgebrokkeld.

Ondertussen waren de halfling en de panda aangekomen bij het oude theater. Dit theater was aangelegd in een natuurlijke kom in de grond. Helemaal onderaan had zich een grote hoeveelheid water verzameld in de loop van de eeuwen, zodat er een klein meertje was rondom het podium. De panda stak er zijn staf in en constateerde dat het waterpeil vrij hoog was.

Misschien dat hij er nog rechtop kon staan maar Lavinia zeker niet. Een aantal slaperige eendjes dobberden in het water. Wellicht konden ze via het theater naar het terrein erachter.

Op de deur van het gebouwtje hing echter een briefje: Het leek onze helden niet verstandig om het gebouwtje in te gaan en die mening werd gedeeld door de overige leden van de groep die inmiddels waren aangekomen. Een voor een klommen ze over de muur waarbij de kleinere avonturiers, — en de hond Max-, met behulp van touwen en pure kracht aan de andere kant terecht kwamen.

Achter het theater stonden een groot aantal tenten van verschillend formaat en een grote tent in het midden. Er stonden ook een aantal wagen met merkwaardige kooien aan de zijkant. In de kooien bevond zich een soort melkwitte wolken, maar het was niet duidelijk wat er nog verder in zat. Hier rende Lavinia als eerste naartoe. Eenmaal dichterbij gekomen was nog net te zien dat er in de eerste kooi een soort hert stond.

Of stond, het beest had duidelijk te weinig ruimte en moest of op zijn knieen liggen of zijn kop omlaag houden. Het gewei was te hoog om gewoon te staan. Saruman onderzocht de kooi op magie. De kooi zelf was magisch, zo verklaarde hij, dat wat er in zat niet.

Het hert kon dus geen illusie zijn. Zowel Lavinia als Max roken dat het dier niet in orde was. Het was gewond en de wond was gaan stinken. Dat kon ook niet anders want het stro in de kooi was oud en ranzig en al heel lang niet meer vervangen.

De reisgenoten zochten wanhopig naar een manier om de kooi te openen maar er zat geen slot, althans geen slot dat Lavinia met haar vingervlugge handen kon openmaken. En naast de kooi met het hert stonden er nog een flink aantal anderen. Allemaal met verwaarloosde en zieke dieren.

Haastig rende Lavinia een van de grotere tenten in. Daar verraste ze een kleine gnoom die gekleed was in de gewaden van een tovenaar. Kunobertus had de sleutel en waar hij precies was wist hij niet. Waarschijnlijk in de grote tent.

Lavinia stormde weer naar buiten. Voor de grote tent stonden twee bewapende mannen. Ze kwam niet veel verder dan tot hun middel en toch slaagde ze erin om de twee een stap achteruit te laten doen. Het circus is nog niet open en de baas heeft ons verboden vreemden toe te laten tot de tent. Briesend dook ze tussen de twee mannen door en glipte zo de tent in. Ze probeerden haar nog tegen te houden maar ze was hen te snel af.

Tierend volgden ze haar naar binnen. De overige leden van onze groep dappere avonturiers aarzelden even voor ze ook naar binnen gingen. Vooral Ludwig vroeg zich af of ze het wel konden maken om zomaar zonder toestemming de circus tent te betreden.

Het gedrag van Lavinia kwam hem wel heel brutaal over. Desondanks besloten ze achter de halfling aan te gaan. Ze eiste op hoge toon dat ze haar vertelden waar Kunobertus was. En plots, zomaar, stak ze een van hen neer. Dat zou met de ander ook gebeuren als hij geen antwoord gaf, zo zei ze. De tweede wachter trok wit weg en herhaalde verschillende malen dat hij niet kon en mocht vertellen waar de baas zich bevond.

Lavinia nam hier geen genoegen mee. Geschokt keken de reisgenoten elkaar aan. Als de baas deze man zoveel angst aanjoeg dat hij liever zelfmoord pleegde dan te vertellen waar deze Kunobertus zich ophield, dan moest het wel een zeer wreed persoon zijn. Te midden van de nogal slordig neergezette stoeltjes stonden nog vier mannen met een verscheidenheid aan wapens. Dreigend kwamen zij naar onze helden toe. Dezen konden niet anders dan zichzelf verdedigen en al gauw was het zand in de tent rood van het bloed.

Maar Kunobertus was nog steeds nergens te vinden. Guldan keek eens goed naar de hond Max. Elke haar op de rug van de hond stond recht overeind en hij keek strak naar een bepaalde plek op de grond. Het beest gromde zachtjes. Daar beneden moest iets zijn. Na enig zoekwerk werd een stenen luik gevonden. Het slot erop was niet eens zo moeilijk maar toch had Lavinia het geduld er niet voor.

Ze pakte haar altijd scherpe dolk en sneed het luik los. Dat maakte het echter alleen maar moeilijker om het luik op te tillen, zo zonder scharnieren. Met gezamenlijke inspanning lukte het dan toch en er werd een gang naar beneden gevonden met een metalen ladder. Aangezien honden nu eenmaal niet zo goed trap kunnen lopen bleef Max boven de wacht houden terwijl de rest de duisternis in klom.

Ze kwamen terecht in een donkere ruimte met een enkeldiepe voor gemiddelde wezens dan, he laag water op de bodem. Lavinia zette haar blauwe brilletje op en zag helemaal niets. Sigurd de dwerg, die onder de grond toch altijd nog wat zag, zag eveneens geen hand voor ogen.

Net zomin als de panda die toch ook normaal gesproken best wat kon zien in het donker. De lantaarn van Guldan, het lampje van Ludwig, een spreuk die licht moest veroorzaken, het had allemaal geen enkel effect.

Het was donker en het bleef donker. Zelfs de kever was in opperste verwarring. Dit had het arme beest nog nooit meegemaakt. Dan maar voetje voor voetje door het water.

Ludwig had nog het briljante idee om een touw vast te binden rond zijn middel, dan zou hij achterblijven bij de weg omhoog en konden de anderen de ruimte verkennen zonder hopeloos te verdwalen. Saruman en de arme kever, die een grote hekel had aan water, bleven bij hem. Lavinia ging voorop en stuitte al gauw op een traliehek. Het hek was op slot maar in het pikkedonker was niet goed te ontdekken waar dat slot dan was.

Dan maar een gat snijden in de tralies. In eerste instantie deed ze dat op halfling hoogte waarop de panda monnik die haar volgde prompt zijn hoofd stootte. Op zijn dringend en gefluisterd verzoek keerde ze terug op haar schreden en werd door hem opgetild om het gat te vergroten zodat ook degenen die langer waren dan vijfenzeventig centimeter iedereen dus zonder problemen erdoorheen kon.

Was het de python die uit het pakhuis ontsnapt was? Erg groot kon het beest niet zijn, maar toch… Ergens in een hoek van het donkere gangenstelsel klonk geluid. Bij gebrek aan betere aanwijzingen gingen de avonturiers daar maar naar toe.

Puur op de tast vonden ze een kamer waarbinnen iemand sprak in een taal die ze niet direct herkenden. En zo kwamen ze bij een metalen deur. Achter die deur moest het zijn. Opnieuw deed Lavinia geen enkele poging om de deur op een normale manier te openen. Nu was het ook nog steeds intens donker, en om een slot open te peuteren heb je toch tenminste wat licht nodig. En dus stak ze haar dolk maar weer in het metaal. Een onzichtbare, maar wel zeer voelbare vonk sprong uit de deur en trof niet alleen Lavinia maar ook degenen die vlak naast haar stonden.

En nog een vonk, en nog een. He, werd het nou lichter? De onnatuurlijke duisternis week en verderop werden Saruman en Ludwig bijna verblind door het plotselinge licht van de lamp. Ze aarzelden geen moment en renden naar hun kameraden. Net op tijd om de deur te zien openen en een woeste halfling naar binnen te zien stormen.

Op de voet gevolgd door een enigszins bezorgde dwerg. Deze bleef overigens vrijwel meteen weer staan. Een groot deel van de kamer werd namelijk geblokkeerd door een krokodil met wijd opengesperde bek. In een hoek van de kamer stond een in fel rode gewaden geklede figuur.

Dit moest Kunobertus de Rode zijn! Een kwaadaardige grijns verscheen op zijn gezicht terwijl hij aan een ring draaide die hij om zijn vinger droeg. Magische projectielen schoten uit de ring richting de helden. De beperkte ruimte en het feit dat niet iedereen tegelijk door de deur paste, leverden wat problemen op met manoeuvreren.

Bovendien lag de krokodil akelig in de weg. En waarom rook deze ruimte ineens naar gebakken brood? En zwavel en pepermunt? Het merkwaardige was ook dat ze niet een keer mens Kunobertus en een keer reptiel de krokodil rook maar twee keer reptiel.

Hier klopte iets niet. Ze probeerde contact te leggen met de krokodil en merkte dat de geest van het beest niet geheel de zijne was.

Of beter gezegd, de hare, want het was een vrouwtje. Angst, woede en verwarring regeerden in de geest van de krokodil. En misschien in de verte, het idee dat deze vorm niet de hare was. Guldan de dienaar van de Vierde Broeder had op zijn reizen een paar nieuwe spreuken geleerd.

Hij probeerde er vol trots een uit. Deze spreuk moest er voorzorgen dat de tovenaar Kunobertus niet meer zou bewegen. Maar op de een of andere manier werkte hij niet. Het was alsof de spreuk ergens door afgekaatst werd. Desondanks slaagden de helden erin om Kunobertus een paar flinke klappen re bezorgen, onder andere omdat het Sigurd lukte om over de krokodil heen te klimmen buiten bereik van de vervaarlijke kaken van het dier. De tovenaar zag ook zelf in dat het de verkeerde kant uitging en greep een amulet dat om zijn hals hing.

En daarop een leegte waar de rode tovenaar had gestaan. Alleen de krokodil bleef, bloedend en wel, over. Lavinia probeerde de krokodil te kalmeren en al gauw verscheen er het beeld van een kistje in haar hoofd. Met in het kistje een steen. Het beest scheen te denken dat het belangrijk was. De kleine kamer werd onderzocht en inderdaad vond men een klein houten kistje. In het kistje lag een barnsteen en in die barnsteen zat iets. Het was een piepklein groen figuurtje.

Maar wat ze daarmee moesten? De krokodil raakte de steen aan met haar snuit en vreemd genoeg roken de vrienden daarop de geur van citroenen. Waar kwam dat toch vandaan? Tijdens het gevecht hadden ze ook al rare dingen geroken; gebakken brood, zwavel, pepermunt en nu dus citroen. Misschien konden ze de steen openbreken? De krokodil leek dat een prima idee te vinden. Heel voorzichtig pelde de halfling laagje voor laagje van de steen totdat met een kleine tik van een hamertje dat Sigurd toevallig bij zich had in zijn kistje met reparatie werktuigen de steen opensprong.

En daar stond in haar plaats een vreemd uitziend wezen. Het was duidelijk nog steeds een soort reptiel maar dan met mensachtige vormen en een lichtgele tuniek. Ze probeerden met haar te praten maar het enige resultaat was een steeds intenser wordende lucht van citroenen. Alleen Lavinia hoorde een zeer hoge stem die maar bleef herhalen: In deze zat een blauwe gedaante. Nadat ook deze gepeld en gekraakt was verscheen een lange, magere magier in een blauw gewaad. Hij stelde zich voor als Rudolphus, een assistent van Kunobertus.

Lavinia trok al meteen haar dolk. Ze werd tegengehouden door haar vrienden die wel eens wilden weten wat er aan de hand was. Hij deed voornamelijk illusies van eenhoorns en zo. Afgelopen winter waren ze zoals ze dat altijd deden naar het graafschap Myres gegaan met het circus.

Ze hadden dringend geld nodig na de brand in hun circus tent dus toen een edelman uit het Noorden had gevraagd om eens te komen praten over een prive voorstelling tijdens het grote Eindejaarsfeest had Kunobertus daar van harte mee ingestemd. Toen later die avond de rode tovenaar terug kwam en Rudolphus hem had gevraagd hoe het gegaan was had zijn baas een voor hem onbekende spreuk uitgesproken waarna alles om hem heen zwart werd. Het eerste wat hij vervolgens wist was dat hij plotseling hier was.

Wat er in de tussentijd was gebeurd was hem onbekend. Dan bleef natuurlijk de vraag: Ze zei tegen Lavinia, die de enige was die haar kon horen, dat de rode tovenaar onder het water was, onder het oude theater.

En zo verlieten de avonturiers de onderaardse ruimte zonder die verder te plundere… ehhh onderzoeken , haalden de ongerust uitziende Max op en togen naar het theater.

Saruman vroeg nog dringend om even te wachten totdat hij weer nieuwe spreuken had geleerd, maar dat geduld konden Lavinia en Grasshopper niet opbrengen. Ze moesten Kunobertus vinden, die immers de sleutel had van de kooien waar de verwaarloosde dieren inzaten. En dan hadden ze nog een hartig woordje met hem te bespreken. De blauwe illusionist kende nog een aantal spreuken die drie van hen in staat stelde om een tijdlang onder water adem te halen.

En de groene mensachtige had een paar platte parels in een doosje. Met enig kunst en vliegwerk en wat gebarentaal werd duidelijk dat ook deze parels de gave hadden om lieden onder water te laten ademen.

Vijf van de helden doken het niet al te frisse water in. Saruman en zijn kever, de blauwe tovenaar en de groene reptielvrouw bleven achter bij Max aan de rand van de waterplas. In de donkere diepte van de poel bleek een doorgang naar een onderaardse gang die vol met water stond. Na met moeite een deur te hebben geopend kwamen ze in nog een gang. Grasshopper meldde dat er hier twee hagedisachtige wezens stonden.

De spreuk gaf hem kennelijk ook de gave om onder water te praten. Ludwig geloofde hem op zijn woord. Zonder licht, en zijn lamp deed het natuurlijk ook niet onderwater, zag hij geen hand voor ogen, laat staan een hagedis. Even probeerden ze het nog met diplomatie. Of wat er voor moest doorgaan. Het waren stevige tegenstanders en het water hinderde hun bewegingen maar desondanks wisten de helden de twee te verslaan.

De volgende deur opende naar binnen. Deze ruimte was nog droog, maar het water achter hen spoelde niet alleen onze helden naar binnen maar vulde de kamer ook gedeeltelijk met water. Gelukkig was er nu de mogelijkheid om rechtop te staan en lucht te ademen in plaats van water. Ook deze ruimte was donker maar een vreemd soort begroeiing algen? Zo stond Ludwig tenminste niet in het pikkedonker. Maar veel tijd om adem te halen hadden ze niet; vier hagedis mensen vielen hen aan.

En nu bleek dat die rare speren een soort van bliksem afgaven die je lelijk kon verwonden. Het gevecht was fel en kort en liet de vijf avonturiers buiten adem achter. Max was inmiddels in slaap gevallen nadat hem verboden was om achter de eendjes aan te jagen. Saruman en Rudolphus wisselden wat spreuken uit en gingen toen maar eens de kooien goed onderzoeken. De ene kooi na de andere bevatte verwaarloosde en gewonde dieren.

Er waren beren en een grote gestippelde kat. Een kooi bevatte drie wolven en een volgende werd bewoond door een wel heel grote wolf. De laatste kooi bevatte een das die erin slaagde om er tegelijkerijd zielig en woedend uit te zien. Een kamer was uitgedost in overdadige rood tinten. Mooi rood is niet lelijk en ik zal de laatste zijn die bezwaar heeft tegen wat rode accenten in een kamer maar dit leek eerder op een bordeel. Kamer voor kamer werd onderzocht en in de kamer waar een merkwaardig boek werd aangetroffen, geschreven in een taal die niemand herkende, en een brief in dezelfde taal, werd opnieuw een barnsteen met inhoud gevonden.

Toen ook deze werd opengepeld en de bewoner ervan op de grond duikelde werd het Lavinia rood voor ogen. Ze sprong naar voren en stak de man in zijn zij voordat hij wist wat er gebeurd.

Ik ben maar een onschuldige illusionist! Bovendien kwam ook hij uit een barnsteen, net als de blauwe tovenaar en de reptielvrouw, dus misschien had hij wel niets te maken met de verwaarloosde dieren en de kwaadaardige hagedis mensen. Hij greep de halfling vast en sleurde haar lijfelijk bij de rode tovenaar vandaan. Guldan ondervroeg de man.

Kunobertus ontkende iets te maken te hebben met de dieren in de kooien of de dierenhuiden in het pakhuis van Melkor. Waarom zou hij echte dieren gebruiken in zijn circus als hij met illusies zoveel meer kon doen.

Bovendien was hij vegetarier. Uit overtuiging, omdat hij dieren geen kwaad wilde doen. Afgelopen winter was hij met zijn circus naar het Noorden gereisd, naar Myres, zoals gebruikelijk. Diederich van Comau, een jongere neef van de Graaf van Myres en voormalig zwager van de zus van de vermoorde koning van Ynosta, het land waar onze helden zich bevonden , had hem uitgenodigd op zijn kasteel om te praten over een prive voorstelling tijdens het Eindejaarsfeest.

En dat aanbod zou hij met beide handen aangenomen hebben. Maar daar kreeg hij de kans niet voor. Zodra hij de kamer waar de edelman zich bevond was binnengetreden had een vreemd uitziende magier hem betoverd. En nu pas had hij zijn vrijheid herwonnen. Wat er in de tussentijd was gebeurd daar had hij geen idee van. Ondertussen genas Guldan de wond in de zij van de tovenaar. Met enige voorzichtigheid openden ze de laatste kamer. Hier bevonden zich twee hagedis mensen met speer, een wat kleinere hagedismens in een bruin gewaad en een figuur die de tweelingbroer van Kunobertus had kunnen zijn.

Kunobertus bezwoer hen dat hij enig kind was. Maar voordat wie dan ook maar een stap kon zetten gebeurde er iets totaal onverwachts. De geur van de rode tovenaar in de hoek was dezelfde als die van de man in de kelder onder het circus en dit veroorzaakte een heftige reactie bij de halfling rogue.

Haar gezicht vervormde en werd een grommende wolvensnuit en haar handen en voeten veranderden in klauwen. Ze was een weerwolf geworden! Woest sprong ze op de rode gedaante af.

Al het andere was nu niet relevant. Haar vrienden waren natuurlijk in meer of mindere mate geschokt door de gedaanteverandering van de jonge halfling vrouw, hoewel het wel een en ander verklaarde over haar gedrag. Veel tijd om er over na te denken hadden ze echter niet want de andere aanwezigen in de kamer vielen hen aan.

Guldan probeerde opnieuw een van zijn nieuwste spreuken. Met deze bezwering had hij Ludwig de kracht van een stier willen geven, maar er ging iets mis.

Zijn eigen hoofd veranderde in dat van een stier en een tijdlang was hij niet in staat om te spreken. Met vereende krachten wisten de reisgenoten de hagedismensen te verslaan terwijl Lavinia als weerwolf de tweede, valse Kunobertus in stukken scheurde. Er bleef niet veel van hem over. En toen hij eenmaal dood was veranderde zijn lijk, wat ervan over was tenminste, in een hagedis mens.

Kunobertus de echte werd er bij gehaald om de hagedismensen te identificeren. Hij herkende ze als zijnde Kuo Toa. Dit was een roofzuchtig volk dat onder de zee leefde en alles opvrat wat ze tegenkwamen. Ze konden ook boven water leven, maar dan gaven ze de voorkeur aan moerassen. Wat ze hier kwamen doen daar had hij geen idee van. Op het lijk van de hagedisman die Lavinia zo vakkundig gefileerd had vonden ze, behalve een amulet dat Kunobertus herkende als zijnde zijn eigendom, hij gebruikte het om in en uit de circus tent te teleporteren tijdens voorstellingen een rode, gegraveerde steen.

Het was de steen die normaal in een van de ringen van Kunobertus had gezeten. Dit was de sleutel tot de kooien, legde Kunobertus uit. En via een geheime deur, achter de illusie van een open haard konden ze makkelijk weer naar buiten. Nadat Lavinia weer teruggekeerd was in haar halfling vorm gingen de reisgenoten naar buiten. Daar kwamen ze vlak naast de circustent weer boven.

Als eerste bevrijdden ze de dieren in de kooien. De gestippelde kat was bijzonder geirriteerd en de wolven begroetten de halfling als een vriend. Maar de grote wolf in de op een na laatste kooi deed iets onverwachts. Zij, een zwanger vrouwtje, veranderde toen de kooi zich opende op exact dezelfde wijze als Lavinia kort daarvoor, van wolf naar mens. Ook zij was een weerwolf. Ze bevatten werk van Van Geel, maar ook recensies over zijn werk. Bij de verschijning van Spinroc zijn er veel recensenten die een verklaring proberen te zoeken voor het feit dat de debutant niet jong is.

Er staat ook dat ik gewacht heb met publiceren tot ik net zo ver was als mijn generatiegenoten. Ik zou willen vragen: Heb ik het heus niet verder gebracht?

Ik ben door mijn zwijgen en afzondering zelfs aan wie rond ' '20 geboren zijn onthecht. Ik voel me meer verwant aan Nescio en Kemp dan aan de jongens en meisjes die met mij op school hebben kunnen zitten. Een oude heer dus. In werkte hij mee aan vier groepsgedichten in het tijdschrift De Schoone Zakdoek. In publiceerde hij gedichten in het boekverkopersblad De Weegschaal van uitgeverij West-Friesland en in een bloemlezing voor het onderwijs van dezelfde uitgever.

Uit het archief blijkt dat Van Geel al in de Tweede Wereldoorlog plannen had voor een bundel. De Zaanse drukker en latere uitgever Klaas Woudt schrijft hem op 20 oktober een inmiddels door brand, water en ouderdom slecht leesbare brief: Natuurlijk wil ik Uw bundeltje verzorgen.

De enige voorwaarde is dat U geen onmenschlijk groot formaat ervoor kiest; mijn degelpers verwerkt slechts de kleinere formaten. Is er een mogelijkheid dat U naar Zaandijk komt om Uw wensen omtrent de uitvoering van de bundel te bespreken en om de tekst, ook de titel en het colophon, te brengen? Per brief wordt dat een eindeloos heen-en-weer geschrijf.

Deze bundel is nooit verschenen. In hetzelfde jaar als zijn publicatie in Criterium heeft hij een of hetzelfde? Wij vinden het voor De Baanbreker minder geschikt. En in blijkt Van Geel nog een poging ondernomen te hebben bij Libertinage, een volgend tijdschrift van Van Oorschot.

In de brief beschrijft Van Geel zijn schroom na het publiceren van Twee fragmenten uit: Bij het graf van een Atties meisje in Criterium: Gaarne zag ik bijgaande gedichten in uw tijdschrift opgenomen. Ik doe u dit verzoek na langdurige overweging, niet slechts omdat ik tot mijn spijt overhaast met slecht werk in Criterium debuteerde, maar ook uit een behoefte tot verschuilen, tot niet meedoen, ben ik huiverig voor publicatie. Het hoofdzakelijk maatschappelijk nut dat publicatie voor me kan hebben, deed mij echter uitzien naar een tijdschrift van onze generatie, waar nog enige verwantschap mee te voelen is.

De bedoelingen van Libertinage nu trokken me. Misschien vindt u van uw kant iets in dit werk? Deze bundel, Tussen seizoenen, is door Van Geel teruggetrokken omdat hij er niet meer achter. Ik had intussen veranderingen in de gedichten aangebracht, de vorm was achterhaald, vertelde hij in aan Ivan Sitniakowsky. De aanloop was al problematisch genoeg.

Van Geel had met moeite het fiat van Van Oorschot, de uitgever van zijn pas verschenen bundel, gekregen. Johan Polak, tussenpersoon tussen uitgeverij Boucher en Van Geel, noemt Van Oorschot wat imperialistisch voor zijn uitgaven. Begrijp mij goed, schrijft hij op 18 november , Ik voel mij aan Polak verplicht in verband met dat Nieuwe Voorhout-boekje.

Denk jij echter - ik kan dat inderdaad niet overzien hier in mijn uithoek - dat het verkeerd is, schrijf me dat dan. Ik hou de inzending nog vast. Zeg nu niet dat je me niet moreel kan dwingen of iets dergelijks. Ik voel me beslist niet onderhorig aan je, maar het kan gewoon practisch een verkeerde zet zijn. Zeg dat dan, want, als gezegd, ik heb daar geen verstand van. Van Oorschot antwoordde hem in een brief van 1 december waarin hij even orde [wil] stellen op de zakelijke kant van onze relatie: Ik vind het niet verstandig dat je je boekje bij Polak uitgeeft en ook niet dat je in andere bladen gedichten publiceert.

De solidariteit tussen uitgever en schrijver moet m. Dat is zakelijk alleen maar verstandig. Maar behalve zakelijk is het ook, althans voor mij een bron van vreugde. Ik begrijp natuurlijk volkomen hoe je door maatschappelijke omstandigheden gedwongen was het boekje bij Polak uit te geven.

Na veel heen-en-weergeschrijf tussen Polak en Van Geel was de bundel samengesteld en ontving Van Geel een drukproef. Op 18 november schrijft hij aan Polak: Even snel een protest tegen de pretentieuze opmaak van Tussen Seizoenen: Een juwelen etalage of een voor dure parfums.

Iemand vertelde mij eens in een exclusieve parfumerie in Parijs één lippenstift in het midden van een witfluwelen etalage te hebben zien staan, meer niet. Ik berust evenwel bij voorbaat, om niet nog meer oponthoud te brengen. Staat er achterin het boekje iets over de boekverzorging, zodat de schrijver zijn handen in onschuld wassen kan? Ik heb altijd gehouden van een minuskuul letter en een onder-elkaar-druk o. Nu schrik ik natuurlijk van het opgepoetste, zo niet opgeklopte.

Je kunt het valse bescheidenheid noemen maar hinderlijk blijft het voor wie zich een leerling voelt in de school der poëzie. Begrijp goed, het is geen verwijt, maar het vaststellen van een ander standpunt. Een druk als deze acht ik alleen geschikt voor de 20 of 30 meesterwerken van de reeds oudere auteur.

Een ongewend zijn aan luxe speelt bij mij natuurlijk ook mee. Op de achterkant van zijn kladbrief krabbelde hij nog: Zou ik het vooruit hebben geweten, dan zou er hier en daar een getekende vogel de bladzij benut kunnen hebben. Komt er een colophon achterin? Dat zou de aandacht van de auteur iets afleiden. Zal de lezer niet denken dat de helft van de tekst eruit gevallen is?

Een kwestie waarover hij, overigens, een klein jaar later precies het tegengestelde beweert in een brief van 14 augustus aan Van Oorschot: Ieder vers op een aparte bladzij lijkt me heel gewoon. Niet dus onder elkaar als de verzen van D. Het wit is een taal! Gedemonteerde horloges liggen bij iedere horlogemaker apart, soms ook onder een omgekeerd glas zonder voet. Gedichten moeten de ruimte hebben om gedemonteerd te kunnen worden voor wie daar plezier aan beleeft.

Na een sussende brief van L. Boucher over de pretentieuze opmaak is het eerste teruggevonden alarmerende briefje van Van Geel aan Polak van 20 juni Kan je binnenkort eens aankomen? Ik moet ernstig [doorgestreept] met je spreken over Tussen Seizoenen. Kan je niet, dan zal ik naar jou toekomen. In een volgende brief aan Polak van 28 september blijkt de beslissing tot vernietiging van de oplage al genomen te zijn: Mooi dat de vernietiging kan aanvangen. Ik zal er werk van maken zodra ik even vrij ben, in die tentoonstelling verdrink ik.

Ook werk maken van verzekering van vernietiging. Hoe verkrijg ik die? Ik verbrand ze liever zelf - kom je er aan warmen! De cirkel is rond als uit het archief blijkt dat Van Geel aan Van Oorschot op dezelfde dag heeft geschreven: Van Polak kreeg ik bericht dat Boucher hem het voorstel gedaan had de oplage van Tussen Seizoenen te vernietigen.

Je weet nog dat ik de uitgave wilde intrekken, dat Polak dit ook wilde, op andere gronden, nl. Hoe verkrijg ik de zekerheid dat de zaak werkelijk vernietigd wordt? De exemplaren heb ik hier, maak ik er deze winter de kachel mee aan, dan weet ik zeker dat ze uit de wereld zijn. Van Oorschot antwoordt op 1 oktober dat Boucher in dit opzicht volledig te vertrouwen is. Buitenstaander en sleutelfiguur Zo zijn er zaken die door het archief iets duidelijker gemaakt kunnen worden, maar in het geval van de teruggetrokken bundel Tussen seizoenen ontbreekt helaas het definitieve besluit.

In het archief zijn vele plannen en dromen, ontstaansgeschiedenissen en mislukkingen, zakelijke en vriendschappelijke relaties op de voet te volgen. Door de brand is het willekeurig wat er is overgebleven, maar uit wat er rest komt een duidelijk beeld naar voren van Chris van Geel; de dichter die ook beeldend kunstenaar was; de voor de kunst en altijd in geldgebrek levende dichter; de hardwerkende, precieze dichter die als een buitenstaander naar de rest van de wereld keek, maar die door zijn verbondenheid met verschillende kunsten en verschillende generaties als een sleutelfiguur in de kunst van de twintigste eeuw beschouwd kan worden.

Jan Hanlo Brieven red. Ser Prop et al Amsterdam deel I. Het archief van Hermans is helaas slechts sporadisch voor onderzoekers toegankelijk. Een gedicht moet veel wit hebben. Algemeen Handelsblad 23 november Grönloh, alias Nescio, en Chr. Daar zijn verscheidene redenen voor. Grönloh was liefst 35 jaar ouder dan Van Geel.

Hij had qua leeftijd diens vader kunnen zijn. Toen zij elkaar in te Amsterdam leerden kennen in de studentenwoning aan de Nieuwmarkt van Enno Endt en diens toenmalige vriendin Toos Pechmann-Noach, een kennis van Grönlohs dochter Miep, bezat Nescio reeds decennia lang een legendarische reputatie in de literatuur. Van Geel daarentegen was nagenoeg onbekend; hij had een paar gedichten gepubliceerd in een tweetal tijdschriften en ooit een aanprijzend essay over het surrealisme.

Nescio en het surrealisme zijn onverenigbare fenomenen. De adoratie, als ik het zo mag noemen, van de Forum-voormannen liet de schrijver van de Titaantjes langs zich afglijden. Een poging tot persoonlijk contact van Ter Braak wimpelde hij af met een excuus in de trant van aan mij valt niets te beleven.

Vestdijk, Bordewijk, al die grote namen, hij kreeg hun boeken niet eens uit. Daar begint de connectie tussen beiden. Toen hij door Jan Geurt Gaarlandt in werd benaderd in verband met een speciaal aan hem te wijden nummer van het tijdschrift Raam, stelde hij ironisch voor: De figuur van de vergeten dichter behoort tot de geïdealiseerde romantische voorstellingen omtrent het kunstenaarschap.

Hij schreef de biografie van Menno ter Braak 2 dln , en in verscheen van zijn hand Een misverstand om in te geloven. De poëzie van M. Thans werkt hij aan een levensbeschrijving van Piet Mondriaan. En Van Geel had trouwens nog een tweede carrière als beeldend kunstenaar, wat Grönloh hem niet kon nazeggen.

Maar de onwil zich literatuurhistorisch onder één noemer te laten brengen, schiep een band tussen Van Geel en Grönloh. De laatstgenoemde liet Van Geel als een van de weinigen uit de literatuur toe tot zijn vriendenkring. Verbondenheid Jan Geurt Gaarlandt begrijpt de verbondenheid tussen beiden in termen van een frappante sfeerovereenkomst in de natuurbeschrijvingen en natuurbeleving.

Veel van wat Nescio in proza zegt is bij Van Geel poëzie geworden. In zijn brieven aan de man die hij steeds als Beste mijnheer Grönloh bleef aanspreken terwijl deze met amice repliceerde , is de bijzondere vriendschap te volgen.

De eerste bewaard gebleven brief is van Nescio, gestuurd op 10 september met een geschenk voor Van Geels 35ste verjaardag: Ik heb toen gezegd, dat als ik het geweten had, ik een boekje zou hebben meegebracht. Hier is het dan. Ik heb nu een paar maal aan het Kinselmeertje gezeten bij de wilgen. In het bijgevoegde gedicht zijn de natuurwaarnemingen uit de brief vervolgens tot poëzie geworden. De dichtregel altijd het zelfde in een ander vergezicht, tot titel van deze publicatie gekozen, lijkt een zinspeling op Nescio's motief 't is God zelf die steeds in herhalingen vervalt.

Een paar regels wilden niet zo gauw lukken en dan gaan er gauw een paar dagen mee heen. Ook had ik het druk met allerlei kwesties meisjes. Ik was wel drie dagen jarig: In Hoorn was het fijn met een uitzicht op het Hoornse Hop zoals we hier in Groet, waar het toch ook wijd is, niet kennen. Die strook land met vage boompjes en torentjes als einder! En een lucht, haast niet echt meer, zo, van 't uiterste hemelgewelf tot aan de horizon en de weerspiegeling in het water, één, onmerkbaar veranderend, stil geheel.

Zo monumentaal als de mooiste huisjes uit de 17de eeuw. Het past prachtig bij elkaar. Van Enkhuizen wist ik dit al. Gaver en echter in Morpheus' armen, meen ik. Die zee, zeien ze, die gaan ze dempen. Daar had ik meer van gehoord, maar nooit oog in oog met de veroordeelde. Heemschutters ik sprak er een paar vergallen je het genieten: Men gaat door hun liefde, het liefst huilend door waar het nog leuk is.

In de buurt van Bontekoe's vader's graf, 11 in een Saenredamse kerk, las ik: Laat hem lopen die lopen lust - mijn tijt is verlopen - ick legh in rust. Dan kom ik aan, als het schikt, dàg, Chris Dank-woord aan Nescio en zijn vrouw voor hun verjaardagsgeschenk '52 13 Vertedering zag ik in bokkesprongen vluchten, zichzelf verwonderend ontwijken' in een gedicht: Ik ken maar één boeket dat ik zou willen schenken als het te schenken en Uw klein hof ruimer was:.

Observaties Zij herkennen elkaar waarschijnlijk ook in hun observaties en ergernissen. Grönloh aan Van Geel op 26 maart Hij heeft geen plaats genoeg voor nog meer schilderijen en beeldhouwwerken van allemaal hoepels en kachelpijpen door elkaar.

Ook die populieren hebben ze omgehakt ze komen voor in Een lange dag. We zijn zoo erg cultureel. Vincent van Gogh is ook eerst uitgelachen. Aan al die genieën van vroeger die terecht vergeten zijn herinneren ze ons maar liever niet. Waarop Van Geel hem antwoordt: Bedankt voor uw brief vol nieuws over de treurigste verminking van tuinen bomen, al prijzen reikend aan koster en hangruimte scheppend voor wie, weer op een andere wijze, zijn ziel doet hoepelen zonder de kachel de pablaten?

De ribes mag gerust reeds, rood en rose en groen, ontbot genoemd worden. Hij legde hem de achtergronden uit van Uren met Dirk Coster van E. En òf dat honend bedoeld is, die Uren met Dirk Coster! Vlak voor de oorlog liet du P. Vandaar de zeldzaamheid wellicht van het geschrift.

Ik kan U de niet hoog genoeg te schatten du P. Buiten dit boek zult ge U steeds vermaken om de slachtingen van Coster en Kosterlijken. Voorts hebben we een aanmoedigingsprijs toegekend aan Dirk Coster.

Dat ontbrak er nog maar net aan. Dezelfde aanmoedigingsprijs, ook wel bekend. Dacht U ook niet dat die Dirk Coster reeds 20 jaar geleden gestorven was door de Uren die du Perron aan hem besteedde? Een brief van Van Geel aan Enno Endt van 30 augustus , waarin hij over zijn contact met Nescio rapporteert, bevat ook een uitval naar Coster: Nescio zendt mij met gelijke post erepromotie Dirk Coster - promotor Donkersloot. De heren waar E. Grönloh, wordt door Van Geelkenners opgemaakt dat hij Grönloh nog bóven Du Perron plaatste, aan wiens nagedachtenis pas de derde bundel Het zinrijk is opgedragen.

Cornips, aan wie derhalve het primaat toekomt. Andere literaire zaken komen in hun briefwisseling ook aan de orde. Zo merkt Van Geel op: Hierbij een kattebelletje en een Kronkel-knipsel met een pluim van Van het Reve. Mag ik het terugontvangen, het aardige stukje? Ik mag hem graag, Van het Reve, al houdt hij een onbegrijpelijke hand boven Hermans, in wie ik niks zie. Er bestaat op het ogenblik geen echt Nederlands proza en geen echte Nederlandse prozatraditie. Hermans uitzonder, zijn er na Couperus en Nescio eigenlijk geen schrijvers meer opgestaan, met wie het de moeite waard is je te meten.

De van het Reve-kronkel heb ik nu dubbel. Ik sluit hem in voor het archief, afdeling: Schrijven kan dat vreemde ventje overigens goed, wat je niet van ieder vreemd ventje kan zeggen.

Neem die andere vreemdeling, Roland Holst, is 't niet onleesbaar, dat proza? Als de een schrijft als een mol, de ander schrijft als een meeuw. De plus en plus étrange. De Postbox vertalers 26 zullen een kluif aan de Uitvreter hebben; alleen al de titel doet ze knarsetanden, denk ik.

Zo vergaat het de watertanders. Toen Van Geel Grönloh naar het model voor de Uitvreter had gevraagd, antwoordde die: De naam Schilperoort is mij al eens meer genoemd, maar ik ken hem niet. Niemand heeft trouwens model gestaan voor de Uitvreter. Grönloh op het water nabij Zijpersloot, foto Johan Rädecker.

Vriendschap De vriendschap Grönloh-Van Geel is in de eerste plaats een literaire geweest zoals de brieven met name die van Van Geel ook tonen, slechts bij uitzondering was Van Geel deelgenoot van de tochten die Grönloh in de natuur maakte. Zo'n uitzondering was die fietstocht die zij op 2 augustus , helemaal in het begin van hun vriendschap maakten, vergezeld door de beeldhouwer Johan Hanny Rädecker , van Groet over Schoorldam naar Warmenhuizen. Bij die gelegenheid is, door Rädecker, de enige foto gemaakt die van beide schrijvers samen bewaard is gebleven.

Op eerste paasdag stuurde Van Geel een afdruk van deze opname naar Enno Endt met een commentaar waarin hij aan de watersnoodramp van dat jaar refereerde: Beste Enno, Hierbij de foto van de twee bij de ramp vergetenen, die, in een filosofisch gesprek gewikkeld, de dingen wachten die komen zullen.

Het zich met het zitvlak op het element water bevinden, prikkelt de zinnen van sommige lieden: Het is vandaag bizonder stil, strak weer. Ook vannacht was het dat. Voor mij een slapeloze nacht, ook al omdat heimwee tevergeefs mijn aandacht spande. Ik kom haar eens la-. Ik bel dan vooraf op. Haar verschijnen is ook de oorzaak van mijn laat antwoord.

In de zomer huurden zij in de omgeving ook wel eens een eigen huisje. De afspraken wanneer te komen, keren dan ook steeds terug in de briefwisseling. Tijdens een vakantie in Limburg, mei schrijft Grönloh een ansichtkaart, 35 in de stijl die we kennen uit zijn Natuurdagboek: Ik heb vandaag van Eindhoven een vluchtig uitstapje kunnen maken.

Maastricht Gulpen Ubbachsberg, Heerlen Maastricht. Ik grossier in bloeiende panorama's. Et tout d'un coup, d'un fol éclat, s'en va mon coeur. Ja en nou zou ik graag weer eens met jullie praten.

Maar hoe moet ik dat doen. Het is nog heel onzeker of we dit jaar naar Groet komen en zooja, dan zal dat waarschijnlijk niet voor lang zijn. Nou wil ik graag eens voor een dag naar Groet komen maar als ik onverwacht kom zijn jullie uit en onvindbaar en dan loop ik daar in dat Groet. Maak ik een schriftelijke afspraak bij mooi weer dan zal t stortregenen als ik moet gaan en dat is ook nix. Ik heb misschien een werkje voor Thérèse.

U bent te kort gebleven in Groet. We behielden een onbehagelijk gevoel van onvoltooidheid 41 Een bijzondere blijk van vriendschap is een klein Sinterklaasgedichtje dat Van Geel en Thérèse Cornips in aan Grönloh en zijn vrouw stuurden: Sint zendt zijn beste wensen. Sint laat u hart'lijk groeten Grönloh wordt in januari getroffen door een beroerte en herstelt moeizaam. De briefwisseling wordt minder intensief en de bezoeken aan Groet zijn niet frequent.

Wat had ik in lang niets van je gehoord! Ik ben nog maar een half mensch. Ik wandel hoogstens 3 KM per dag en je ziet ook het schrijven gaat nog maar stumperig. Ik moet nog veel rusten. Beste mijnheer en mevrouw Grönloh, zeer hartelijk gelukgewenst met de verjaardag. Is Boven het Dal naar zin uitgegeven?

Als er een komt die U bepaald niet bevalt, zou ik wel willen weten waarin deze verscheen en wanneer? Er was kans dat ik vandaag of morgen naar A'dam zou gaan, maar bronchitis bindt me aan huis. Ik had gehoopt U omstreeks de verjaardag te bezoeken, ook al om te zien wat U zelf van Boven het Dal vindt. Wij maken het goed. Mijn tweede bundel gedichten is klaar, maar zal pas volgend jaar verschijnen. Zodra ik in de stad kom, kom ik naar jullie.

Hartelijke groeten van Thérèse en Chris 48 Ruim een maand na deze brief overleed Grönloh. Van Geel krijgt van zijn weduwe wat spullen en zijn pak en jas, die jarenlang door Van Geel gedragen werd. Terwijl Van Geel in een schitterende omgeving woonde waar tegenwoordig wekelijks massa's men-. De briefwisseling In de literatuur over Nescio en Van Geel is in ten minste drie publicaties aandacht besteed aan hun briefwisseling, waarbij telkens nieuwe vondsten gepresenteerd konden worden.

In het aan Nescio gewijde tweede nummer van De Engelbewaarder uit januari , moest de redactie zich nog neerleggen bij de constatering: De brieven van Nescio zijn waarschijnlijk - de resten van Van Geels brievenverzameling zijn nog niet uitgezocht - verloren gegaan toen het huis van Van Geel in afbrandde.

In de hieronder volgende commentaren zal met dank daaruit worden geput. In de jaren na het artikel van Guus Middag is het Van Geel-archief door Elly de Waard met medewerking van anderen nagenoeg compleet uitgezocht en geordend. Dankzij deze inspanning kon hier nu uit de gehele teruggevonden correspondentie tussen Grönloh en Van Geel geciteerd worden. Een volledige publicatie van de brieven werd door de erven J.

Uit de concepten die Van Geel van zijn brieven maakte bewaard gebleven in het Van Geel-archief blijkt dat zijn vriendin Thérèse Cornips daarin met de hand correcties doorvoerde en suggesties ter verbetering aanbracht, zodat haar betrokkenheid in de correspondentie groter was dan alleen virtueel. Het sinterklaasversje dat Van Geel en Cornips op 5 december meestuurden bij een geschenk, is hier als zelfstandig deel van de correspondentie opgenomen omdat het als zodanig ook tussen de papieren van Grönloh wordt bewaard.

Het werpt bovendien licht op de vriendschappelijkheid van hun relatie. De sporen van de brand die het huis, het werk en de bezittingen van Van Geel en Elly de Waard op 11 februari grotendeels in vlammen deed opgaan maar van de papieren, brieven en varianten van gedichten. De brieven en kaarten van J. Grönloh en zijn vrouw Agathe Grönloh-Tiket Ossie genoemd, zijn, met uitzondering van de prentbriefkaart van 7 mei die geschreven is te Maastricht en ook daarvandaan verzonden is, alle verstuurd vanuit hun woonplaats Amsterdam.

Sedert juli bewoonden zij het bovenhuis Linnaeushof II te Amsterdam-Watergraafsmeer; in mei verhuisden zij naar de benedenwoning Linnaeushof 57 nadat Grönloh in januari van dat jaar door een beroerte was getroffen.

De correspondentie van en aan Chr. Sedert de zomer van huurde Van Geel de hier gelegen atelierwoning zij kwam reeds ter sprake in verband met de verwoestende brand van van de beeldhouwer Johannes Anton John Rädecker ; vader van de eerder genoemde Hanny Rädecker , die op zijn beurt de woonvergunning van Van Geels bovenwoning aan de Herengracht had overgenomen in verband met zijn werk aan het monument op de Dam.

Toen hij Grönloh hier een keer ontvangen had, noteerde deze kernachtig in zijn dagboek: In het hok gezeten, als wijlen de Titaantjes. Het essay Surrealisme uit opnieuw in: Guépin, Christiaan Johannes van Geel jr. Amsterdam 12 september Amsterdam 8 maart , in: Beschouwingen en interviews Den Haag Het Parool, 14 november , opgenomen in: Elly de Waard ed. Een bundel over zijn poëzie [Oorspronkelijk verschenen als Raam-nummer , mei , vermeerderd met negen nieuwe artikelen] Utrecht ; ook digitaal op de website van p Jan Geurt Gaarlandt, Uit de hoge boom geschreven, in: Het staat niet vast welk boekje er bedoeld zou kunnen zijn; Van Geels bibliotheek ging tijdens de brand van zijn huis op 11 februari verloren.

Het laat zich raden dat het een boekje van Nescio zelf betrof. Van zijn De uitvreter. Dichtertje was in september een derde druk verschenen Rotterdam: Vier dagen later herhaalde hij het bezoek, nu samen met zijn vrouw in de bus.

In het houten café van het Bad- en Plashuis aan het Kinselmeer, geëxploiteerd door de heer Winkelman, gebruikten zij de lunch: Een dankbaar en godsdienstig gevoel door de eitjes, het brood en de koffie. Het grasveld, de wilgen, en het even-rimpelige water. Links over het andere grasveld het andere groote houten café in de boomen en tallooze gele stoelen en tafeltjes onder hooge wilgen, zeer zomersch en geen mensch. Op het terrein van Winkelman nog enkele menschen, waarbij twee bloote dijen.

Nescio, Natuurdagboek, Lieneke Frerichs ed. Amsterdam , p. IX Eerder gepubliceerd in: Drie brieven aan Nescio, Elly de Waard ed. Dan kom ik aan, als het schikt, p. Paul van Tongeren, Maar die van God is vervuld gaat aan z'n gruwelijke oneindigheid ten gronde. Over God in het werk van Nescio, in: De God van denkers en dichters. Opstellen voor Samuel IJsseling Amsterdam , p. Ik wilde het naar Nescio sturen als dank-woord [ Dan kom ik aan, als het schikt, p Origineel: Jaap Penraat heeft behalve als binnenhuis architect naam gemaakt als verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog.

Hij emigreerde in naar de Verenigde Staten. Ook kwam er achter het museum een terras met een beeldentuin. Vleugel en terras moesten in wijken voor een nog te realiseren nieuwbouw.

Mogelijk had Van Geel een exemplaar van het boek aan Grönloh geschonken, waarvoor deze in een niet teruggevonden brief bedankt had. Nescio kreeg de Mar. Schreef ik je dit al? Vervolgens op 24 mei Drie althans kwamen de prijs persoonlijk brengen met de boodschap dat er van de f direct f naar de belastingen moesten. Letterkundige prijzen In Nederland - daarin zal je alles over de Mar. Een boekje, overigens, om te onthouden - voor het geval we ons weer es willen laten bekronen. Een boekje van Gans Nonchalante Notities?

Ik zag het vluchtig, schreef ik je er al over? Heel zakkig van de progressieve Gans, wiens individualisten-woede niet belet alle Indonesië-zeggers boven een Indië-zegger-uit-ouwerwetsigheid van dat formaat te verkiezen, blijkbaar. Nescio was nog wel op hem gesteld omdat Gans gezegd zou hebben toen de leraar op de H. Hij wist er niets van, zou 't es inzien in de boekhandel - doen of je boeken koopt - zei, altijd tegen àlles geweest te zijn - tegen Indië-zeggers, tegen Indonesië-zeggers, tegen ganzen.

Dan kom ik aan, als het schikt, p Concept: Het origineel van de brief is niet teruggevonden in de collectie Van Geel-brieven in de nalatenschap van J. De zending van Nescio waaraan Van Geel refereert is niet in de nalatenschap van de dichter teruggevonden. IX Kronkel, Van het Reve, in: Het Parool, 9 september Artikel is niet bij de brief bewaard gebleven. Grönloh had Chris verteld van een inschrift, aangetroffen in een toilet in Frankrijk: De tekst werd door Van Geel in een wat andere versie gepubliceerd in het tijdschrift Barbarber onder de titel Côte d'azur: Verzamelde gedichten, p Elisabeth Maria Post , schrijfster, citaat niet thuisgebracht.

Als adres was een postbox-nummer opgegeven. In zijn antwoord had Grönloh terloops gevraagd: Woont u in een postbox? Dan kom ik aan, als het schikt, p Antwoord op een niet teruggevonden brief van J.

De foto is reeds enkele malen eerder gereproduceerd, voor het eerst in het aan Nescio gewijde Schrijversprentenboek 14 Gerrit Borgers, M. Boas-Grönloh, Marten Scholten eds. De complete foto is afgedrukt resp. Een bundel over zijn poëzie Utrecht: Reflex, ; Dan kom ik aan, als het schikt, p. Van daaruit ondernam Grönloh een uitstapje met trein en bus naar Zuid-Limburg. Tirade 46 september ; Ook op de website van Die Franse regel gebruikte Nescio vaker in zijn natuurdagboek, als een plotseling geluksgevoel in hem opbloeide, of als een ervaring van opgaan in alles bezit van hem nam.

Lieneke Frerichs, de bezorger van het natuurdagboek, vertaalt: En ineens, als een dolleman, slaat mijn hart op hol. Wellicht is het citaat terug te brengen tot het gedicht La révolte van de Belgische dichter Émile Verhaeren: En tout-à-coup de fou désir, s'en va mon coeur. Over Verhaeren en diens plaats in de Europese letterkunde vgl. Benno Barnard, Ik houd nu eenmaal van Émile. Dichters van het avondland 1 , in: Met Nescio zijn we erg dik. Ze vervelen zich een beetje zonder klein- en kinderen en zonder mooi-fiets-weer.

Ik hoorde de mooiste verhalen. Die eens mondeling voor zover ik ze me dan nog herinner. Ik mis het reporters-temperament alles te noteren. Ik ken alleen de spijt het niet te doen. Daar zou ik als ik heel rijk was mijn secretarissen voor hebben. Boekstaving van de gesprekken rond de kasteelheer. Dan kom ik aan, als het schikt, p Het betreft de vraag van Grönloh aan Thérèse Cornips een verhaal uit uit te tikken dat hij dacht te publiceren onder het pseudoniem Innocens: Dagboek van een lid van een schoolbestuur.

Inderdaad maakte Cornips een tiksel van het manuscript. Nadat zij van de auteur jaren niets meer erover had gehoord, legde zij de uitgetypte tekst aan Van Geels uitgever Geert van Oorschot voor met de vraag of het tijdschrift Tirade hierin geïnteresseerd zou zijn.

Van Oorschot nam vervolgens contact op met Grönloh en diens vrouw. Het voornemen ontstond toen niet slechts deze tekst, maar al het ongepubliceerde werk van Nescio uit te geven. Er werd een vierkoppige redactie gevormd, bestaande uit mevrouw M. Boas-Grönloh, Gerrit Borgers, Chr. Uit dit initiatief kwam als boekuitgave voort: Nescio, Boven het dal en andere verhalen Amsterdam , met als afsluitende tekst: Dagboek van een lid van een schoolbestuur, p Vgl.

Amsterdam I, p juni Origineel: In de zomer van waren Grönloh en zijn vrouw van juli en van 3 tot 14 augustus te Groet; vgl. Natuurdagboek, p , ; , waaruit: Van Geel wordt iets dikker in z'n gezicht en ziet er welvarender en verzorgder uit. Z'n huisje is opgeruimd: Er liggen niet overal boeken en papieren. Er is nu in het midden een nuttelooze leegte. Swinburne en Watts Dunton! De Engelse criticus en dichter Theodore Watts-Dunton leeft in de herinnering vooral voort als vriend en verzorger van Algernon Swinburne , die hij van de ondergang in het alcoholisme zou hebben gered.

Natuurdagboek, p december Origineel: Het handschrift is naar beste weten dat van Thérèse Cornips, wellicht is zij ook de auteur van het gedichtje maart Briefkaart. Het colofon van het boek bevat de tekst: Boven het dal is een bundel verhalen die in door de schrijver uit zijn ongepubliceerd werk werd samengesteld en waaruit hij in slechts een klein deel onder de titel Mene Tekel, in boekvorm heeft laten verschijnen. Uit het overige werk in portefeuille werden de Andere verhalen, gekozen door Mevr.

De tekstverzorging was in handen van Mevr. Deze formulering kwam tot stand nadat Van Geel in de redactiecommissie had geklaagd over zijn spek- en bonenrol en hij zijn bezwaren had geuit tegen de wens van met name Van Oorschot het boek niet als een soort nagelaten werk, maar als een zelfstandige uitgave van Nescio te laten verschijnen.

Van Geel wilde niet de indruk wekken alsof Nescio het boek zelf zo had samengesteld en voor druk gereed had gemaakt, maar evenmin vond hij dat de titel als nagelaten werk zou mogen worden gepubliceerd. Van Geels suggestie werd gehonoreerd. Nescio, Verzameld werk, I, p , en hierboven n. Hollands Weekblad 3 14 juni , p Van Geels tweede dichtbundel, Uit de hoge boomgeschreven, zou pas in verschijnen.

Over het late verschijnen van de tweede bundel vgl. Boucher, 29 p. Catalogus bij de tentoonstelling Van Geel in het Stedelijk Museum te Amsterdam, 15 december januari , met een week verlengd tot 29 januari. In de catalogus waren facsimiles van tien gedichten afgedrukt die naderhand, al dan niet gewijzigd, in Uit de hoge boom geschreven werden opgenomen. De ene kunst leeft nooit zonder de andere, althans bij mij, E. Elly de Waard, Nawoord, in: Dan kom ik aan, als het schikt, p: Enkele veel te grote pakken van ouderwets degelijke snit - waarvan een broek later aan een jonge schilder en verwoed Nescio-fan werd afgestaan, die er een kachelpijp-broek voor zichzelf van maakte - en de lange grijze loden jas, die een kleine tien jaar lang een onafscheidelijk kledingstuk was van Chris.

Een voor hemzelf niet zo veelzeggende, maar voor mij mooie afronding van de trits van voorwerpen die dienden om erop uit te trekken: Kennelijk vond Van Geel zo'n verzoek in een felicitatiebrief niet gepast en heeft hij de zin geschrapt. De Engelbewaarder 1 2 januari , p Namelijk de passage Het is al weer zoo een poosje geleden Enno Endt aan Elly de Waard, resp.

Amsterdam 12 september Amsterdam 8 maart Over Van Geel en het atelierhuis, vgl. Elly de Waard, Chris van Geel: Vrij Nederland, 12 maart Uit: Ik kreeg ze opgestuurd via Elly de Waard, of ik er iets over zou willen schrijven voor het nummer dat het literair-historische tijdschrift De Parelduiker aan hem wijdt.

Ze zijn uit een map uit , de tijd dat ik hem leerde kennen. Ze zijn nog niet af, dat zie je aan de krabbels in de kantlijn. Er zullen er hier maar drie ter sprake kunnen komen. Ze zijn uitgetikt, iets wat hij zelf niet deed.

Zoals er nu schrijvers zijn die nog altijd vastberaden niet op een computer werken, zo heeft hij, die van was, de stap naar Zelf Tikken nooit gezet. Poëzie, dat was wat Chris J. Een af gedicht, dat was eigenlijk de dood, een af leven bestond ook niet, hij leefde scheppenderwijs. Eigenlijk was een gedicht getikt al halfdood.

Ik was twintig toen ik hem voor het eerst bezocht, bijna twee jaar voor zijn dood op 8 maart Ik heb nooit iemand leren kennen die zó op het eigenste moment leefde als hij. Ik herinner me niet dat hij het ooit over vroeger had. Hij was altijd aan het beseffen, dat is misschien de formulering. En intussen verloor hij de tijd.

Ik herinner me dat we dagen lang tegenover elkaar zaten, in de serre van 't Vogelwater, het gewezen rusthuis diep in de Castricumse duinen waar hij en Elly de Waard na het afbranden van het vorige huis waren gaan wonen. Mijn poëziedebuut zou uitkomen, ik had voor het manuscript net de Reina Prinsen Geerligsprijs gekregen Hij had mijn gedichten in het Hollands Maandblad en Tirade gezien. Ik had hem in een interviewtje in Trouw de grootste levende Nederlandse dichter genoemd.

Hij wist dat ik een epigoon van hem was. Bij de kennismaking had hij grinnikend voorgesteld dat ik hem meester zou noemen. Hij torende boven mij uit, mager, Beckett-achtig, hij was goed in ironisch hoffelijk naar beneden kijken. Hij vond mij ongeduldig - jong, prematuur. Hij was terdege mijn meester, mijn doctor in de aandacht. Hoe je aan wat je al geschreven hebt betekenis, altijd meer betekenis kunt toekennen; hoe je je eigen, minste, meest verborgen gedachten kunt leren zien als buitenkansen; hoe je je aandacht kunt spannen als een web waar zo onwillekeurig mogelijke, halfbewuste denkbewegingen in vliegen; hoe alles uiteindelijk draait om stilte, om een ascese: Ik had een onjeugdige hang naar die dingen, ik wilde zielsgraag een leven verder zijn, ik herinner me mijn hoofd, ook dat van toen, als eigenlijk altijd te druk, altijd maar lussend om zichzelf, en meende te begrijpen dat dit ook voor hem gold.

Hij zei een keer dat hij geen drugs gebruikte omdat zijn bewustzijn al verruimd was, ik heb met hoe ik denk mijn handen vol.

Ik zocht beslist ook een vader, maar die was hij niet. Als je het mythisch zou zeggen, dan was hij een verwekker, geen grootbrenger. Het was ook niet echt onderricht dat ik kreeg.

We zaten in zijn werkserre aan iets wat ik mij herinner dat een keukentafeltje was. Het was volkomen vanzelfsprekend dat ik, meteen na de allereerste begroeting, op die plek terecht kwam, met mijn rug naar de tuin omzoomd door duinbos.

Een paar maanden later zouden daar, na een storm, grote bomen omgewaaid zijn. Toen die in stukken waren gezaagd noemde hij de tuin Pompeï. Er werd vanuit gegaan dat ik daarvoor was gekomen: En ik weet dat ik totaal niet verbaasd was over deze gang van zaken.

Ik voelde me niet gebruikt, integendeel: Later ontdekte ik dat hij een aantal mensen op deze wijze bij zijn dichtwerk betrok, hij noemde ze tuttelaars. In die laatste jaren van zijn leven was Tom van Deel die mij met hem in aanraking had gebracht de gewichtigste, de postume bundel Enkele gedichten is door Van Deel bezorgd. Op een dag kreeg ik de titel junior-tuttelaar. Poëzie schenkt, net als God, de lezer vrijheid, dat is misschien wel haar bestaansrecht.

Voor mij is dát van meet af aan de ervaring geweest bij het lezen van Van Geel. Een gedicht van hem verlangt hevig naar betekenis, het is alsof het, hoe lang er ook aan is gewerkt, altijd net niet weet wat het betekent, het is alsof het werkelijk door de lezer, al lezend, wordt voltooid. En de lezer is daar vrij, er gaat van het Van Geel-gedicht geen dwang uit.

Het is, hoezeer ook van woorden gemaakt, een beeld, zoals gedefinieerd door de filmer Andrej Tarkovski: Het beeld is er om het leven zelf uit te drukken, en niet de voorstellingen en denkbeelden over het leven.

Een Van Geel-beeld imponeert niet, het zoekt het onaanzienlijke, het minste verborgen drinken van je wortelkroon. Vrijheid is het raadsel, en Van Geel beoefende dat door in de eerste plaats helder te zijn.

Hoe helderder het gedicht, des te ondoorgrondelijker. De neerlandicus Enno Endt, die de eerste helft van zijn dichtersleven bevriend met hem was, herinnerde zich dat Van Geel hem op een wandeling als hij niet aan het dichten of slapen was - twee verwante bezigheden, zoals uit veel gedichten blijkt - dan wandelde hij wees op prikkeldraad dat in de boomschors was ingegroeid.

Wat is dat, zei hij, dat is iets, hè? Hij voelde dat het iets met zijn eigen leven te maken had. Deze scène wordt gememoreerd in het schitterende en on-. Er moet betekenis zijn, wat je raakt heeft met je leven te maken, het centrale dichtersmirakel is herkenning, iets onkenbaars in jezelf wordt herkend in de tastbare wereld, en je staat in de vrijheid om altijd meer betekenis te onderkennen, meer te herkennen, altijd meer. Zo bekeken we de stapels uitgetikte varianten van zijn gedichten in uitvoering: Hij keek er naar alsof het raadsels waren die door een ander aan hem waren opgegeven.

Die ander gaf hij zelf, die zich in zijn jeugd surrealist had genoemd, soms de naam van onderbewuste. De ander was natuurlijk zeker ook de taal. Bij de gedichten die ik opgestuurd heb gekregen zat deze: Het is alsof de dingen die gebeuren volmaakter zich aan ons voltrokken toen, toen wij nog onverbloemd beschikbaar waren.

Het is of een voor een de ogen dicht gegaan zijn - ook de eigen - die eens keken, niet dood, maar op een ander punt gericht. Het kan zijn dat dit gedicht het niet tot bundeling in Enkele gedichten heeft gebracht omdat het te betogend is, te weinig zinnebeeld.

Het is het enige gedicht van de zending waar ik me duidelijk van herinner dat het door onze handen is gegaan. Dat komt door onverbloemd beschikbaar. Ik herinner me dat ik me er sterk van bewust was dat daar iemand als ik zelf mee bedoeld werd: Ik kan mezelf, vrees ik, niet als gaaf herinneren.

Geheugen begint pas te werken bij verlies. Het woord onschuld zal Van Geel niet snel gebruiken schuld is geen categorie waar hij in dacht , maar wel synoniemen, gaaf, ongeschonden, ongerept. Dat je verbloemd zou kunnen worden trof me, en dat is de hele herinnering aan de opgestuurde gedichten. Later, toen hij - met mijn grootvader - mijn eerste dode bleek te zijn, kon ik gaan beginnen te ervaren wat hij met verbloemen bedoelde. Ik heb zijn dood, en daarna tijd nodig gehad om te begrijpen hoezeer zijn werk, van meet af aan, in het teken van missen staat, van het volkomen, met al je zintuigen, beschikbaar willen zijn voor de doden, terwijl je, per dode, een oog verliest.

Het beeld dringt zich op van een bewustzijn dat aanvankelijk bestaat uit een pau-. De dichter tracht per gedicht weer onder de levenden te komen, daar waar de dingen die gebeuren gebeuren. Rust zacht Dood is wraak niet in de nacht door dor blad te horen sluipen onder bomen, om het huis, in het weiland bij de stal.

Het personifiëren van de dood, hem oren geven die boos zijn, en niet de doden kunnen horen sluipen om het huis Als je dood bent, dichter, wat betekent dood dan? Waar ben je, als ik je dit vraag? De eerste bloei, het laatste web. Onregelmatig regelmatig is het deksel van de zee. De branding is ver weg. De vloei van eb vraagt ga je mee. De laatste zinsnee is eenvoudigweg een van de mooiste die ik van wie dan ook heb gelezen.

Ik hoop dat dit gedichtje niet door onze handen is gegaan, in , daar aan het tafeltje in de serre, want als het wel zo is, dan betekent dit dat ik over het vermogen beschik om het mooiste te vergeten.

Maar misschien is dat precies wat hij bedoelde toen hij, in een wel gepubliceerd gedicht, schreef: Het mooiste leeft in doodsgevaar. Het leeft dankzij het doodsgevaar. Leg dat maar 's uit. De zinsnee kan opleven dankzij mijn vergeten.

Ze springen tot leven, je doden, hoezeer ook in doodsgevaar. De briefwisseling tussen Chris van Geel en Geert van Oorschot Anders dan je loyaliteit in gelijke mate terug te bevestigen, is op je verschrikkelijk aardige brief eigenlijk geen antwoord te geven. Ik zal hem bewaren als een boek. Je zit er bijna meer dan levensgroot in. Ze corresponderen dan al zo'n tien jaar en zitten midden in het productieproces van de bundel Uit de hoge boom geschreven, de opvolger van Van Geels debuut Spinroc en andere verzen dat in uitkwam.

De correspondentie loopt van tot en is zowel terug te vinden in huize 't Vogelwater in Castricum als in het Letterkundig Museum in Den Haag, waar het archief tot van uitgeverij G.

Beide collecties hebben hun charme: De vaak wat emotionelere handgeschreven brieven en kaartjes van Van Oorschot ontbreken in het uitgeverijarchief. Op wat uitstapjes na, zoals het nooit uitgegeven Tussen seizoenen bij uitgeverij L.

Postuum werd dit bevestigd met de uitgave van de Verzamelde gedichten in Tegelijk met het verschijnen van deze Parelduiker brengt de uitgeverij de bloemlezing Het mooiste leeft in doodsgevaar uit.

Uit de correspondentie blijkt dat Van Geel graag bij Van Oorschot werd uitgegeven en dat Van Oorschot Van Geel graag in zijn fonds wilde hebben, en houden. Maar er blijkt ook uit dat dat niet zonder slag of stoot ging. Ze publiceerde eerder over het archief van Uitgeverij G. Zoals in de brieven minutieus te volgen is, liep hun relatie ondanks de vele vriendschapsbezweringen toch stuk op zakelijke gronden en karakterverschillen.

En passant tonen de brieven diverse gebeurtenissen uit het zakelijke en persoonlijke leven van de twee correspondenten. Beiden zitten ze bijna meer dan levensgroot in de brieven. Uitgever Bert Bakker heeft ook interesse, maar Van Geel heeft hem op een andere manier nodig: Ik opende het gesprek raillerend door hem te zeggen dat de heer Van O.

Dit leek me wel wat om het ijs te breken, helaas we bevroren. Dit was dat en eigenlijk voor mij van minder belang dan mijn bedoeling hem wat Maatstaf betreft af te wijzen, maar als vriend van dr. Hulsker 3 te behouden. Immers, zijn invloed om een aanvrage die de burgemeester van mijn gemeente richtte tot O.

In deze brief, waarin Van Geel zijn toekomstige uitgever eigenlijk toespreekt via een verslag van een gesprek met anderen, laat hij ook weten waarom hij in het dat jaar opgerichte Tirade zou willen publiceren: Reeds eerder zei ik hem [Roland Holst] dat ik bij Van O.

De volgende dag al volgt een briefje van Van Geel over een onderwerp dat nog vaak terug zal keren; de drukfout.

De gedichten zijn verminkt, spaties staan verkeerd, correcties en veranderingen zijn niet overgenomen: Ik telegrafeerde, telefoneerde, schreef hierover, had er zorg voor, gelijk mijn soort van dichterschap betaamt. Het is toch in ons beider belang, me dunkt! Van Oorschot is niet tevreden met de door Van Geel voorgestelde titel: En verder nog iets over een evt. Gedichten of Verzen nou ja, die schrijft iedereen en het zegt zo verdomd weinig.

Kunt u niet snel een goede titel verzinnen? Spinroc - anagram van Cornips mijn vrouw's naam. Jarenlang noemde ik mijn boek zo. Het is een kwestie van wennen. Ik heb er een zeer passend epigram bij uit de 14 e eeuw. De reacties erop van het pu-. Voor het bezwaar dat het te particulier is ben ik eens gezwicht - maar nu U op een titel aandringt is dat de titel of het inderdaad weinigzeggende Verzen.

Lang speelde ik met de gedachte het monogram Th. Ik ben dus met Spinroc uit de schacht van het particuliere een heel stuk dichter bij het daglicht m. Mijn vrouw vertelt dat ik geen kleur mag kiezen waar U het niet mee eens bent. Kiest U dus een kleur waarmee ik het eens ben. De brief die Van Oorschot bij het contract voor Spinroc voegt, laat hierover in eerste instantie geen twijfel bestaan: Wat nu de uitvoering van Uw boek betreft: Dit is principieel gezien toch helemaal een zaak, die de uitgever aangaat.

...


Aftrekken lul solomio sex nl


Van de indelingen maakte hij dummies. Vele schriftjes en pakketjes papier kent het archief, met een omslag in handschrift, een opdracht, een inhoudsopgave en lege bladen waarop alleen de titels van de gedichten zijn geschreven en soms zelfs alleen de verschillende delen van een bundel zijn ingevuld. In weer andere zelfgemaakte dummies komen van de gedichten alleen de titels voor en zijn de dichtregels aangegeven door strepen, die wel een regelmatig wisselende lengte hebben, zodat in een oogopslag de typografie van een gedicht naar voren komt.

Soms zijn de regels alleen weergegeven in het metrum, zonder woorden. Een groot deel van zijn tijd moet Van Geel bezig zijn geweest met het zorgvuldig in drukletters schrijven van omslagen en titelpagina's. Een soort bundeling die vaak voorkomt is die van diergedichten.

Bij aantekeningen over dieren in zijn werk heeft Van Geel een titelpagina gemaakt met het woord Gedierten dat de lezer in eerste instantie als Gedichten zal lezen.

Ook over de titels van de bundels overlegde hij, zoals blijkt uit de brief van 21 november aan Joop Goudsblom: Ik wilde je in deze brief uit enige ontwerpen voor titels laten kiezen, deed dit ondertussen reeds zelf: Door winter omringd, met wellicht als ondertitel tweehonderd andere gedichten.

Het lezen in de bundel zal je duidelijk moeten maken dat hij zo heten moet. Maar daar zonder, hoe klinkt het? Een andere kandidaat was: Pestilent ongemakkelijk Van Geel moet veel waarde hebben gehecht aan de opdrachten die hij in zijn bundels liet opnemen. Bij de eerder genoemde oeuvre-overzichten zijn steevast de mensen genoemd aan wie de bundels opgedragen werden én zouden worden. Zo blijkt uit een overzicht dat hij de bundel Het zinrijk aan E. Hermans had willen opdragen.

In een brief van 21 maart , die in drie kladversies bewaard is gebleven, blijkt hij Hermans om toestemming gevraagd te hebben: De nieuwe bundel hoop ik aan U op te mogen dragen. U moet echter goedvinden dat u de opdracht deelt met de nagedachtenis aan E. Van Geel voelde zich verbonden met Hermans, zoals blijkt uit de brief,. Ik vraag het U om de navolgende redenen: U bent de enige schrijver in Nederland die telt.

Uw invloed onderging ik. Uw Tranen der acacia's vind ik een meesterwerk. Ik deel Uw somberheid. Ik deel Uw afkeer. Uit de uitleg waarom hij dat voorwoord niet zelf kan schrijven, is veel op te maken over Van Geels houding ten opzichte van de beide kunstvormen die hij beoefende: Ik kan dat zelf niet. Met mijn gedichten hebben de tekeningen zo weinig gemeen dat ze naast elkaar, elkaar niet verdragen.

De tekeningen zijn rechtstreeks neergeschreven i. Wat Hermans hiervan vond is niet bekend; in het Van Geel-archief zitten geen brieven van Hermans en volgens de catalogus van het Hermans-archief heeft Hermans wel twee brieven van Van Geel ontvangen, maar hem geen brieven gestuurd. Van Du Perron had de jarige Van Geel ruim twintig jaar eerder wél antwoord gekregen. Niet op een verzoek om toestemming, maar op een zeer bewonderende en zeer lange brief met Van Geels interpretatie van La Condition Humaine en Het land van herkomst.

De brief van Du Perron is nogal vaderlijk van toon, maar wel bemoedigend: Uw lange brief heb ik natuurlijk met belangstelling gelezen. Is het noodig dat u - zij 't dan voor uzelf - zoo met tussenzinnen en haakjes vertel[t]?

Is dit het kenmerk van de tegenwoordige jeugd, om aan 3 dingen tegelijk te denken, zichzelf in de rede te vallen, allerlei bezwaartjes vooruit te ondervangen, etc.? Wat moet dat pestilent ongemakkelijk zijn! Ik zou 't toch maar zien af te leeren, als ik u was.

Het versterkt uw onzekerheid, en waarom? Naast de vele instemmende citaten uit het werk van Hermans die op diverse plekken in het archief aangetroffen kunnen worden, komen er in de correspondenties ook minder bewonderende passages voor, zoals in een halfverbrande brief aan Joop en Maria Goudsblom van 5 juni Het Sadistisch Universum er staat: Sadistische en de Mandarijnen hebben trouwens Hermans kansen sterk doen dalen.

Hoe vermakelijk en soms hoe juist ook, niet vermakelijk en niet juist genoeg om hem een grote geest te noemen. Maatschappelijk nut In het archief zijn tijdschriften en knipsels bewaard gebleven.

Ze bevatten werk van Van Geel, maar ook recensies over zijn werk. Bij de verschijning van Spinroc zijn er veel recensenten die een verklaring proberen te zoeken voor het feit dat de debutant niet jong is. Er staat ook dat ik gewacht heb met publiceren tot ik net zo ver was als mijn generatiegenoten.

Ik zou willen vragen: Heb ik het heus niet verder gebracht? Ik ben door mijn zwijgen en afzondering zelfs aan wie rond ' '20 geboren zijn onthecht. Ik voel me meer verwant aan Nescio en Kemp dan aan de jongens en meisjes die met mij op school hebben kunnen zitten. Een oude heer dus. In werkte hij mee aan vier groepsgedichten in het tijdschrift De Schoone Zakdoek. In publiceerde hij gedichten in het boekverkopersblad De Weegschaal van uitgeverij West-Friesland en in een bloemlezing voor het onderwijs van dezelfde uitgever.

Uit het archief blijkt dat Van Geel al in de Tweede Wereldoorlog plannen had voor een bundel. De Zaanse drukker en latere uitgever Klaas Woudt schrijft hem op 20 oktober een inmiddels door brand, water en ouderdom slecht leesbare brief: Natuurlijk wil ik Uw bundeltje verzorgen. De enige voorwaarde is dat U geen onmenschlijk groot formaat ervoor kiest; mijn degelpers verwerkt slechts de kleinere formaten.

Is er een mogelijkheid dat U naar Zaandijk komt om Uw wensen omtrent de uitvoering van de bundel te bespreken en om de tekst, ook de titel en het colophon, te brengen? Per brief wordt dat een eindeloos heen-en-weer geschrijf. Deze bundel is nooit verschenen. In hetzelfde jaar als zijn publicatie in Criterium heeft hij een of hetzelfde? Wij vinden het voor De Baanbreker minder geschikt. En in blijkt Van Geel nog een poging ondernomen te hebben bij Libertinage, een volgend tijdschrift van Van Oorschot.

In de brief beschrijft Van Geel zijn schroom na het publiceren van Twee fragmenten uit: Bij het graf van een Atties meisje in Criterium: Gaarne zag ik bijgaande gedichten in uw tijdschrift opgenomen.

Ik doe u dit verzoek na langdurige overweging, niet slechts omdat ik tot mijn spijt overhaast met slecht werk in Criterium debuteerde, maar ook uit een behoefte tot verschuilen, tot niet meedoen, ben ik huiverig voor publicatie. Het hoofdzakelijk maatschappelijk nut dat publicatie voor me kan hebben, deed mij echter uitzien naar een tijdschrift van onze generatie, waar nog enige verwantschap mee te voelen is. De bedoelingen van Libertinage nu trokken me. Misschien vindt u van uw kant iets in dit werk?

Deze bundel, Tussen seizoenen, is door Van Geel teruggetrokken omdat hij er niet meer achter. Ik had intussen veranderingen in de gedichten aangebracht, de vorm was achterhaald, vertelde hij in aan Ivan Sitniakowsky.

De aanloop was al problematisch genoeg. Van Geel had met moeite het fiat van Van Oorschot, de uitgever van zijn pas verschenen bundel, gekregen. Johan Polak, tussenpersoon tussen uitgeverij Boucher en Van Geel, noemt Van Oorschot wat imperialistisch voor zijn uitgaven. Begrijp mij goed, schrijft hij op 18 november , Ik voel mij aan Polak verplicht in verband met dat Nieuwe Voorhout-boekje.

Denk jij echter - ik kan dat inderdaad niet overzien hier in mijn uithoek - dat het verkeerd is, schrijf me dat dan. Ik hou de inzending nog vast.

Zeg nu niet dat je me niet moreel kan dwingen of iets dergelijks. Ik voel me beslist niet onderhorig aan je, maar het kan gewoon practisch een verkeerde zet zijn. Zeg dat dan, want, als gezegd, ik heb daar geen verstand van.

Van Oorschot antwoordde hem in een brief van 1 december waarin hij even orde [wil] stellen op de zakelijke kant van onze relatie: Ik vind het niet verstandig dat je je boekje bij Polak uitgeeft en ook niet dat je in andere bladen gedichten publiceert. De solidariteit tussen uitgever en schrijver moet m. Dat is zakelijk alleen maar verstandig. Maar behalve zakelijk is het ook, althans voor mij een bron van vreugde.

Ik begrijp natuurlijk volkomen hoe je door maatschappelijke omstandigheden gedwongen was het boekje bij Polak uit te geven. Na veel heen-en-weergeschrijf tussen Polak en Van Geel was de bundel samengesteld en ontving Van Geel een drukproef. Op 18 november schrijft hij aan Polak: Even snel een protest tegen de pretentieuze opmaak van Tussen Seizoenen: Een juwelen etalage of een voor dure parfums.

Iemand vertelde mij eens in een exclusieve parfumerie in Parijs één lippenstift in het midden van een witfluwelen etalage te hebben zien staan, meer niet. Ik berust evenwel bij voorbaat, om niet nog meer oponthoud te brengen. Staat er achterin het boekje iets over de boekverzorging, zodat de schrijver zijn handen in onschuld wassen kan?

Ik heb altijd gehouden van een minuskuul letter en een onder-elkaar-druk o. Nu schrik ik natuurlijk van het opgepoetste, zo niet opgeklopte. Je kunt het valse bescheidenheid noemen maar hinderlijk blijft het voor wie zich een leerling voelt in de school der poëzie. Begrijp goed, het is geen verwijt, maar het vaststellen van een ander standpunt. Een druk als deze acht ik alleen geschikt voor de 20 of 30 meesterwerken van de reeds oudere auteur. Een ongewend zijn aan luxe speelt bij mij natuurlijk ook mee.

Op de achterkant van zijn kladbrief krabbelde hij nog: Zou ik het vooruit hebben geweten, dan zou er hier en daar een getekende vogel de bladzij benut kunnen hebben. Komt er een colophon achterin? Dat zou de aandacht van de auteur iets afleiden. Zal de lezer niet denken dat de helft van de tekst eruit gevallen is?

Een kwestie waarover hij, overigens, een klein jaar later precies het tegengestelde beweert in een brief van 14 augustus aan Van Oorschot: Ieder vers op een aparte bladzij lijkt me heel gewoon. Niet dus onder elkaar als de verzen van D. Het wit is een taal! Gedemonteerde horloges liggen bij iedere horlogemaker apart, soms ook onder een omgekeerd glas zonder voet.

Gedichten moeten de ruimte hebben om gedemonteerd te kunnen worden voor wie daar plezier aan beleeft. Na een sussende brief van L. Boucher over de pretentieuze opmaak is het eerste teruggevonden alarmerende briefje van Van Geel aan Polak van 20 juni Kan je binnenkort eens aankomen? Ik moet ernstig [doorgestreept] met je spreken over Tussen Seizoenen. Kan je niet, dan zal ik naar jou toekomen.

In een volgende brief aan Polak van 28 september blijkt de beslissing tot vernietiging van de oplage al genomen te zijn: Mooi dat de vernietiging kan aanvangen. Ik zal er werk van maken zodra ik even vrij ben, in die tentoonstelling verdrink ik. Ook werk maken van verzekering van vernietiging. Hoe verkrijg ik die? Ik verbrand ze liever zelf - kom je er aan warmen!

De cirkel is rond als uit het archief blijkt dat Van Geel aan Van Oorschot op dezelfde dag heeft geschreven: Van Polak kreeg ik bericht dat Boucher hem het voorstel gedaan had de oplage van Tussen Seizoenen te vernietigen. Je weet nog dat ik de uitgave wilde intrekken, dat Polak dit ook wilde, op andere gronden, nl. Hoe verkrijg ik de zekerheid dat de zaak werkelijk vernietigd wordt?

De exemplaren heb ik hier, maak ik er deze winter de kachel mee aan, dan weet ik zeker dat ze uit de wereld zijn. Van Oorschot antwoordt op 1 oktober dat Boucher in dit opzicht volledig te vertrouwen is. Buitenstaander en sleutelfiguur Zo zijn er zaken die door het archief iets duidelijker gemaakt kunnen worden, maar in het geval van de teruggetrokken bundel Tussen seizoenen ontbreekt helaas het definitieve besluit.

In het archief zijn vele plannen en dromen, ontstaansgeschiedenissen en mislukkingen, zakelijke en vriendschappelijke relaties op de voet te volgen. Door de brand is het willekeurig wat er is overgebleven, maar uit wat er rest komt een duidelijk beeld naar voren van Chris van Geel; de dichter die ook beeldend kunstenaar was; de voor de kunst en altijd in geldgebrek levende dichter; de hardwerkende, precieze dichter die als een buitenstaander naar de rest van de wereld keek, maar die door zijn verbondenheid met verschillende kunsten en verschillende generaties als een sleutelfiguur in de kunst van de twintigste eeuw beschouwd kan worden.

Jan Hanlo Brieven red. Ser Prop et al Amsterdam deel I. Het archief van Hermans is helaas slechts sporadisch voor onderzoekers toegankelijk. Een gedicht moet veel wit hebben. Algemeen Handelsblad 23 november Grönloh, alias Nescio, en Chr. Daar zijn verscheidene redenen voor. Grönloh was liefst 35 jaar ouder dan Van Geel. Hij had qua leeftijd diens vader kunnen zijn. Toen zij elkaar in te Amsterdam leerden kennen in de studentenwoning aan de Nieuwmarkt van Enno Endt en diens toenmalige vriendin Toos Pechmann-Noach, een kennis van Grönlohs dochter Miep, bezat Nescio reeds decennia lang een legendarische reputatie in de literatuur.

Van Geel daarentegen was nagenoeg onbekend; hij had een paar gedichten gepubliceerd in een tweetal tijdschriften en ooit een aanprijzend essay over het surrealisme. Nescio en het surrealisme zijn onverenigbare fenomenen. De adoratie, als ik het zo mag noemen, van de Forum-voormannen liet de schrijver van de Titaantjes langs zich afglijden.

Een poging tot persoonlijk contact van Ter Braak wimpelde hij af met een excuus in de trant van aan mij valt niets te beleven. Vestdijk, Bordewijk, al die grote namen, hij kreeg hun boeken niet eens uit. Daar begint de connectie tussen beiden. Toen hij door Jan Geurt Gaarlandt in werd benaderd in verband met een speciaal aan hem te wijden nummer van het tijdschrift Raam, stelde hij ironisch voor: De figuur van de vergeten dichter behoort tot de geïdealiseerde romantische voorstellingen omtrent het kunstenaarschap.

Hij schreef de biografie van Menno ter Braak 2 dln , en in verscheen van zijn hand Een misverstand om in te geloven. De poëzie van M. Thans werkt hij aan een levensbeschrijving van Piet Mondriaan.

En Van Geel had trouwens nog een tweede carrière als beeldend kunstenaar, wat Grönloh hem niet kon nazeggen. Maar de onwil zich literatuurhistorisch onder één noemer te laten brengen, schiep een band tussen Van Geel en Grönloh. De laatstgenoemde liet Van Geel als een van de weinigen uit de literatuur toe tot zijn vriendenkring. Verbondenheid Jan Geurt Gaarlandt begrijpt de verbondenheid tussen beiden in termen van een frappante sfeerovereenkomst in de natuurbeschrijvingen en natuurbeleving.

Veel van wat Nescio in proza zegt is bij Van Geel poëzie geworden. In zijn brieven aan de man die hij steeds als Beste mijnheer Grönloh bleef aanspreken terwijl deze met amice repliceerde , is de bijzondere vriendschap te volgen.

De eerste bewaard gebleven brief is van Nescio, gestuurd op 10 september met een geschenk voor Van Geels 35ste verjaardag: Ik heb toen gezegd, dat als ik het geweten had, ik een boekje zou hebben meegebracht. Hier is het dan. Ik heb nu een paar maal aan het Kinselmeertje gezeten bij de wilgen. In het bijgevoegde gedicht zijn de natuurwaarnemingen uit de brief vervolgens tot poëzie geworden.

De dichtregel altijd het zelfde in een ander vergezicht, tot titel van deze publicatie gekozen, lijkt een zinspeling op Nescio's motief 't is God zelf die steeds in herhalingen vervalt. Een paar regels wilden niet zo gauw lukken en dan gaan er gauw een paar dagen mee heen. Ook had ik het druk met allerlei kwesties meisjes. Ik was wel drie dagen jarig: In Hoorn was het fijn met een uitzicht op het Hoornse Hop zoals we hier in Groet, waar het toch ook wijd is, niet kennen. Die strook land met vage boompjes en torentjes als einder!

En een lucht, haast niet echt meer, zo, van 't uiterste hemelgewelf tot aan de horizon en de weerspiegeling in het water, één, onmerkbaar veranderend, stil geheel. Zo monumentaal als de mooiste huisjes uit de 17de eeuw.

Het past prachtig bij elkaar. Van Enkhuizen wist ik dit al. Gaver en echter in Morpheus' armen, meen ik. Die zee, zeien ze, die gaan ze dempen. Daar had ik meer van gehoord, maar nooit oog in oog met de veroordeelde. Heemschutters ik sprak er een paar vergallen je het genieten: Men gaat door hun liefde, het liefst huilend door waar het nog leuk is. In de buurt van Bontekoe's vader's graf, 11 in een Saenredamse kerk, las ik: Laat hem lopen die lopen lust - mijn tijt is verlopen - ick legh in rust.

Dan kom ik aan, als het schikt, dàg, Chris Dank-woord aan Nescio en zijn vrouw voor hun verjaardagsgeschenk '52 13 Vertedering zag ik in bokkesprongen vluchten, zichzelf verwonderend ontwijken' in een gedicht: Ik ken maar één boeket dat ik zou willen schenken als het te schenken en Uw klein hof ruimer was:. Observaties Zij herkennen elkaar waarschijnlijk ook in hun observaties en ergernissen.

Grönloh aan Van Geel op 26 maart Hij heeft geen plaats genoeg voor nog meer schilderijen en beeldhouwwerken van allemaal hoepels en kachelpijpen door elkaar. Ook die populieren hebben ze omgehakt ze komen voor in Een lange dag. We zijn zoo erg cultureel. Vincent van Gogh is ook eerst uitgelachen. Aan al die genieën van vroeger die terecht vergeten zijn herinneren ze ons maar liever niet. Waarop Van Geel hem antwoordt: Bedankt voor uw brief vol nieuws over de treurigste verminking van tuinen bomen, al prijzen reikend aan koster en hangruimte scheppend voor wie, weer op een andere wijze, zijn ziel doet hoepelen zonder de kachel de pablaten?

De ribes mag gerust reeds, rood en rose en groen, ontbot genoemd worden. Hij legde hem de achtergronden uit van Uren met Dirk Coster van E. En òf dat honend bedoeld is, die Uren met Dirk Coster!

Vlak voor de oorlog liet du P. Vandaar de zeldzaamheid wellicht van het geschrift. Ik kan U de niet hoog genoeg te schatten du P. Buiten dit boek zult ge U steeds vermaken om de slachtingen van Coster en Kosterlijken. Voorts hebben we een aanmoedigingsprijs toegekend aan Dirk Coster. Dat ontbrak er nog maar net aan. Dezelfde aanmoedigingsprijs, ook wel bekend. Dacht U ook niet dat die Dirk Coster reeds 20 jaar geleden gestorven was door de Uren die du Perron aan hem besteedde?

Een brief van Van Geel aan Enno Endt van 30 augustus , waarin hij over zijn contact met Nescio rapporteert, bevat ook een uitval naar Coster: Nescio zendt mij met gelijke post erepromotie Dirk Coster - promotor Donkersloot. De heren waar E. Grönloh, wordt door Van Geelkenners opgemaakt dat hij Grönloh nog bóven Du Perron plaatste, aan wiens nagedachtenis pas de derde bundel Het zinrijk is opgedragen. Cornips, aan wie derhalve het primaat toekomt. Andere literaire zaken komen in hun briefwisseling ook aan de orde.

Zo merkt Van Geel op: Hierbij een kattebelletje en een Kronkel-knipsel met een pluim van Van het Reve. Mag ik het terugontvangen, het aardige stukje? Ik mag hem graag, Van het Reve, al houdt hij een onbegrijpelijke hand boven Hermans, in wie ik niks zie. Er bestaat op het ogenblik geen echt Nederlands proza en geen echte Nederlandse prozatraditie. Hermans uitzonder, zijn er na Couperus en Nescio eigenlijk geen schrijvers meer opgestaan, met wie het de moeite waard is je te meten. De van het Reve-kronkel heb ik nu dubbel.

Ik sluit hem in voor het archief, afdeling: Schrijven kan dat vreemde ventje overigens goed, wat je niet van ieder vreemd ventje kan zeggen. Neem die andere vreemdeling, Roland Holst, is 't niet onleesbaar, dat proza? Als de een schrijft als een mol, de ander schrijft als een meeuw. De plus en plus étrange. De Postbox vertalers 26 zullen een kluif aan de Uitvreter hebben; alleen al de titel doet ze knarsetanden, denk ik.

Zo vergaat het de watertanders. Toen Van Geel Grönloh naar het model voor de Uitvreter had gevraagd, antwoordde die: De naam Schilperoort is mij al eens meer genoemd, maar ik ken hem niet. Niemand heeft trouwens model gestaan voor de Uitvreter. Grönloh op het water nabij Zijpersloot, foto Johan Rädecker. Vriendschap De vriendschap Grönloh-Van Geel is in de eerste plaats een literaire geweest zoals de brieven met name die van Van Geel ook tonen, slechts bij uitzondering was Van Geel deelgenoot van de tochten die Grönloh in de natuur maakte.

Zo'n uitzondering was die fietstocht die zij op 2 augustus , helemaal in het begin van hun vriendschap maakten, vergezeld door de beeldhouwer Johan Hanny Rädecker , van Groet over Schoorldam naar Warmenhuizen.

Bij die gelegenheid is, door Rädecker, de enige foto gemaakt die van beide schrijvers samen bewaard is gebleven. Op eerste paasdag stuurde Van Geel een afdruk van deze opname naar Enno Endt met een commentaar waarin hij aan de watersnoodramp van dat jaar refereerde: Beste Enno, Hierbij de foto van de twee bij de ramp vergetenen, die, in een filosofisch gesprek gewikkeld, de dingen wachten die komen zullen.

Het zich met het zitvlak op het element water bevinden, prikkelt de zinnen van sommige lieden: Het is vandaag bizonder stil, strak weer.

Ook vannacht was het dat. Voor mij een slapeloze nacht, ook al omdat heimwee tevergeefs mijn aandacht spande. Ik kom haar eens la-. Ik bel dan vooraf op. Haar verschijnen is ook de oorzaak van mijn laat antwoord. In de zomer huurden zij in de omgeving ook wel eens een eigen huisje.

De afspraken wanneer te komen, keren dan ook steeds terug in de briefwisseling. Tijdens een vakantie in Limburg, mei schrijft Grönloh een ansichtkaart, 35 in de stijl die we kennen uit zijn Natuurdagboek: Ik heb vandaag van Eindhoven een vluchtig uitstapje kunnen maken.

Maastricht Gulpen Ubbachsberg, Heerlen Maastricht. Ik grossier in bloeiende panorama's. Et tout d'un coup, d'un fol éclat, s'en va mon coeur. Ja en nou zou ik graag weer eens met jullie praten. Maar hoe moet ik dat doen. Het is nog heel onzeker of we dit jaar naar Groet komen en zooja, dan zal dat waarschijnlijk niet voor lang zijn. Nou wil ik graag eens voor een dag naar Groet komen maar als ik onverwacht kom zijn jullie uit en onvindbaar en dan loop ik daar in dat Groet.

Maak ik een schriftelijke afspraak bij mooi weer dan zal t stortregenen als ik moet gaan en dat is ook nix. Ik heb misschien een werkje voor Thérèse. U bent te kort gebleven in Groet. We behielden een onbehagelijk gevoel van onvoltooidheid 41 Een bijzondere blijk van vriendschap is een klein Sinterklaasgedichtje dat Van Geel en Thérèse Cornips in aan Grönloh en zijn vrouw stuurden: Sint zendt zijn beste wensen.

Sint laat u hart'lijk groeten Grönloh wordt in januari getroffen door een beroerte en herstelt moeizaam. De briefwisseling wordt minder intensief en de bezoeken aan Groet zijn niet frequent.

Wat had ik in lang niets van je gehoord! Ik ben nog maar een half mensch. Ik wandel hoogstens 3 KM per dag en je ziet ook het schrijven gaat nog maar stumperig.

Ik moet nog veel rusten. Beste mijnheer en mevrouw Grönloh, zeer hartelijk gelukgewenst met de verjaardag. Is Boven het Dal naar zin uitgegeven? Als er een komt die U bepaald niet bevalt, zou ik wel willen weten waarin deze verscheen en wanneer?

Er was kans dat ik vandaag of morgen naar A'dam zou gaan, maar bronchitis bindt me aan huis. Ik had gehoopt U omstreeks de verjaardag te bezoeken, ook al om te zien wat U zelf van Boven het Dal vindt.

Wij maken het goed. Mijn tweede bundel gedichten is klaar, maar zal pas volgend jaar verschijnen. Zodra ik in de stad kom, kom ik naar jullie. Hartelijke groeten van Thérèse en Chris 48 Ruim een maand na deze brief overleed Grönloh.

Van Geel krijgt van zijn weduwe wat spullen en zijn pak en jas, die jarenlang door Van Geel gedragen werd. Terwijl Van Geel in een schitterende omgeving woonde waar tegenwoordig wekelijks massa's men-. De briefwisseling In de literatuur over Nescio en Van Geel is in ten minste drie publicaties aandacht besteed aan hun briefwisseling, waarbij telkens nieuwe vondsten gepresenteerd konden worden.

In het aan Nescio gewijde tweede nummer van De Engelbewaarder uit januari , moest de redactie zich nog neerleggen bij de constatering: De brieven van Nescio zijn waarschijnlijk - de resten van Van Geels brievenverzameling zijn nog niet uitgezocht - verloren gegaan toen het huis van Van Geel in afbrandde. In de hieronder volgende commentaren zal met dank daaruit worden geput. In de jaren na het artikel van Guus Middag is het Van Geel-archief door Elly de Waard met medewerking van anderen nagenoeg compleet uitgezocht en geordend.

Dankzij deze inspanning kon hier nu uit de gehele teruggevonden correspondentie tussen Grönloh en Van Geel geciteerd worden. Een volledige publicatie van de brieven werd door de erven J. Uit de concepten die Van Geel van zijn brieven maakte bewaard gebleven in het Van Geel-archief blijkt dat zijn vriendin Thérèse Cornips daarin met de hand correcties doorvoerde en suggesties ter verbetering aanbracht, zodat haar betrokkenheid in de correspondentie groter was dan alleen virtueel.

Het sinterklaasversje dat Van Geel en Cornips op 5 december meestuurden bij een geschenk, is hier als zelfstandig deel van de correspondentie opgenomen omdat het als zodanig ook tussen de papieren van Grönloh wordt bewaard. Het werpt bovendien licht op de vriendschappelijkheid van hun relatie. De sporen van de brand die het huis, het werk en de bezittingen van Van Geel en Elly de Waard op 11 februari grotendeels in vlammen deed opgaan maar van de papieren, brieven en varianten van gedichten.

De brieven en kaarten van J. Grönloh en zijn vrouw Agathe Grönloh-Tiket Ossie genoemd, zijn, met uitzondering van de prentbriefkaart van 7 mei die geschreven is te Maastricht en ook daarvandaan verzonden is, alle verstuurd vanuit hun woonplaats Amsterdam. Sedert juli bewoonden zij het bovenhuis Linnaeushof II te Amsterdam-Watergraafsmeer; in mei verhuisden zij naar de benedenwoning Linnaeushof 57 nadat Grönloh in januari van dat jaar door een beroerte was getroffen.

De correspondentie van en aan Chr. Sedert de zomer van huurde Van Geel de hier gelegen atelierwoning zij kwam reeds ter sprake in verband met de verwoestende brand van van de beeldhouwer Johannes Anton John Rädecker ; vader van de eerder genoemde Hanny Rädecker , die op zijn beurt de woonvergunning van Van Geels bovenwoning aan de Herengracht had overgenomen in verband met zijn werk aan het monument op de Dam.

Toen hij Grönloh hier een keer ontvangen had, noteerde deze kernachtig in zijn dagboek: In het hok gezeten, als wijlen de Titaantjes. Het essay Surrealisme uit opnieuw in: Guépin, Christiaan Johannes van Geel jr. Amsterdam 12 september Amsterdam 8 maart , in: Beschouwingen en interviews Den Haag Het Parool, 14 november , opgenomen in: Elly de Waard ed. Een bundel over zijn poëzie [Oorspronkelijk verschenen als Raam-nummer , mei , vermeerderd met negen nieuwe artikelen] Utrecht ; ook digitaal op de website van p Jan Geurt Gaarlandt, Uit de hoge boom geschreven, in: Het staat niet vast welk boekje er bedoeld zou kunnen zijn; Van Geels bibliotheek ging tijdens de brand van zijn huis op 11 februari verloren.

Het laat zich raden dat het een boekje van Nescio zelf betrof. Van zijn De uitvreter. Dichtertje was in september een derde druk verschenen Rotterdam: Vier dagen later herhaalde hij het bezoek, nu samen met zijn vrouw in de bus. In het houten café van het Bad- en Plashuis aan het Kinselmeer, geëxploiteerd door de heer Winkelman, gebruikten zij de lunch: Een dankbaar en godsdienstig gevoel door de eitjes, het brood en de koffie.

Het grasveld, de wilgen, en het even-rimpelige water. Links over het andere grasveld het andere groote houten café in de boomen en tallooze gele stoelen en tafeltjes onder hooge wilgen, zeer zomersch en geen mensch. Op het terrein van Winkelman nog enkele menschen, waarbij twee bloote dijen.

Nescio, Natuurdagboek, Lieneke Frerichs ed. Amsterdam , p. IX Eerder gepubliceerd in: Drie brieven aan Nescio, Elly de Waard ed. Dan kom ik aan, als het schikt, p. Paul van Tongeren, Maar die van God is vervuld gaat aan z'n gruwelijke oneindigheid ten gronde. Over God in het werk van Nescio, in: De God van denkers en dichters. Opstellen voor Samuel IJsseling Amsterdam , p. Ik wilde het naar Nescio sturen als dank-woord [ Dan kom ik aan, als het schikt, p Origineel: Jaap Penraat heeft behalve als binnenhuis architect naam gemaakt als verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog.

Hij emigreerde in naar de Verenigde Staten. Ook kwam er achter het museum een terras met een beeldentuin. Vleugel en terras moesten in wijken voor een nog te realiseren nieuwbouw. Mogelijk had Van Geel een exemplaar van het boek aan Grönloh geschonken, waarvoor deze in een niet teruggevonden brief bedankt had. Nescio kreeg de Mar.

Schreef ik je dit al? Vervolgens op 24 mei Drie althans kwamen de prijs persoonlijk brengen met de boodschap dat er van de f direct f naar de belastingen moesten. Letterkundige prijzen In Nederland - daarin zal je alles over de Mar. Een boekje, overigens, om te onthouden - voor het geval we ons weer es willen laten bekronen. Een boekje van Gans Nonchalante Notities?

Ik zag het vluchtig, schreef ik je er al over? Heel zakkig van de progressieve Gans, wiens individualisten-woede niet belet alle Indonesië-zeggers boven een Indië-zegger-uit-ouwerwetsigheid van dat formaat te verkiezen, blijkbaar. Nescio was nog wel op hem gesteld omdat Gans gezegd zou hebben toen de leraar op de H. Hij wist er niets van, zou 't es inzien in de boekhandel - doen of je boeken koopt - zei, altijd tegen àlles geweest te zijn - tegen Indië-zeggers, tegen Indonesië-zeggers, tegen ganzen.

Dan kom ik aan, als het schikt, p Concept: Het origineel van de brief is niet teruggevonden in de collectie Van Geel-brieven in de nalatenschap van J. De zending van Nescio waaraan Van Geel refereert is niet in de nalatenschap van de dichter teruggevonden.

IX Kronkel, Van het Reve, in: Het Parool, 9 september Artikel is niet bij de brief bewaard gebleven. Grönloh had Chris verteld van een inschrift, aangetroffen in een toilet in Frankrijk: De tekst werd door Van Geel in een wat andere versie gepubliceerd in het tijdschrift Barbarber onder de titel Côte d'azur: Verzamelde gedichten, p Elisabeth Maria Post , schrijfster, citaat niet thuisgebracht.

Als adres was een postbox-nummer opgegeven. In zijn antwoord had Grönloh terloops gevraagd: Woont u in een postbox? Dan kom ik aan, als het schikt, p Antwoord op een niet teruggevonden brief van J. De foto is reeds enkele malen eerder gereproduceerd, voor het eerst in het aan Nescio gewijde Schrijversprentenboek 14 Gerrit Borgers, M. Boas-Grönloh, Marten Scholten eds. De complete foto is afgedrukt resp. Een bundel over zijn poëzie Utrecht: Reflex, ; Dan kom ik aan, als het schikt, p.

Van daaruit ondernam Grönloh een uitstapje met trein en bus naar Zuid-Limburg. Tirade 46 september ; Ook op de website van Die Franse regel gebruikte Nescio vaker in zijn natuurdagboek, als een plotseling geluksgevoel in hem opbloeide, of als een ervaring van opgaan in alles bezit van hem nam.

Lieneke Frerichs, de bezorger van het natuurdagboek, vertaalt: En ineens, als een dolleman, slaat mijn hart op hol. Wellicht is het citaat terug te brengen tot het gedicht La révolte van de Belgische dichter Émile Verhaeren: En tout-à-coup de fou désir, s'en va mon coeur.

Over Verhaeren en diens plaats in de Europese letterkunde vgl. Benno Barnard, Ik houd nu eenmaal van Émile. Dichters van het avondland 1 , in: Met Nescio zijn we erg dik. Ze vervelen zich een beetje zonder klein- en kinderen en zonder mooi-fiets-weer. Ik hoorde de mooiste verhalen.

Die eens mondeling voor zover ik ze me dan nog herinner. Ik mis het reporters-temperament alles te noteren. Ik ken alleen de spijt het niet te doen. Daar zou ik als ik heel rijk was mijn secretarissen voor hebben. Boekstaving van de gesprekken rond de kasteelheer. Dan kom ik aan, als het schikt, p Het betreft de vraag van Grönloh aan Thérèse Cornips een verhaal uit uit te tikken dat hij dacht te publiceren onder het pseudoniem Innocens: Dagboek van een lid van een schoolbestuur.

Inderdaad maakte Cornips een tiksel van het manuscript. Nadat zij van de auteur jaren niets meer erover had gehoord, legde zij de uitgetypte tekst aan Van Geels uitgever Geert van Oorschot voor met de vraag of het tijdschrift Tirade hierin geïnteresseerd zou zijn.

Van Oorschot nam vervolgens contact op met Grönloh en diens vrouw. Het voornemen ontstond toen niet slechts deze tekst, maar al het ongepubliceerde werk van Nescio uit te geven. Er werd een vierkoppige redactie gevormd, bestaande uit mevrouw M. Boas-Grönloh, Gerrit Borgers, Chr. Uit dit initiatief kwam als boekuitgave voort: Nescio, Boven het dal en andere verhalen Amsterdam , met als afsluitende tekst: Dagboek van een lid van een schoolbestuur, p Vgl.

Amsterdam I, p juni Origineel: In de zomer van waren Grönloh en zijn vrouw van juli en van 3 tot 14 augustus te Groet; vgl. Natuurdagboek, p , ; , waaruit: Van Geel wordt iets dikker in z'n gezicht en ziet er welvarender en verzorgder uit. Z'n huisje is opgeruimd: Er liggen niet overal boeken en papieren. Er is nu in het midden een nuttelooze leegte.

Swinburne en Watts Dunton! De Engelse criticus en dichter Theodore Watts-Dunton leeft in de herinnering vooral voort als vriend en verzorger van Algernon Swinburne , die hij van de ondergang in het alcoholisme zou hebben gered. Natuurdagboek, p december Origineel: Het handschrift is naar beste weten dat van Thérèse Cornips, wellicht is zij ook de auteur van het gedichtje maart Briefkaart. Het colofon van het boek bevat de tekst: Boven het dal is een bundel verhalen die in door de schrijver uit zijn ongepubliceerd werk werd samengesteld en waaruit hij in slechts een klein deel onder de titel Mene Tekel, in boekvorm heeft laten verschijnen.

Uit het overige werk in portefeuille werden de Andere verhalen, gekozen door Mevr. De tekstverzorging was in handen van Mevr. Deze formulering kwam tot stand nadat Van Geel in de redactiecommissie had geklaagd over zijn spek- en bonenrol en hij zijn bezwaren had geuit tegen de wens van met name Van Oorschot het boek niet als een soort nagelaten werk, maar als een zelfstandige uitgave van Nescio te laten verschijnen.

Van Geel wilde niet de indruk wekken alsof Nescio het boek zelf zo had samengesteld en voor druk gereed had gemaakt, maar evenmin vond hij dat de titel als nagelaten werk zou mogen worden gepubliceerd. Van Geels suggestie werd gehonoreerd. Nescio, Verzameld werk, I, p , en hierboven n.

Hollands Weekblad 3 14 juni , p Van Geels tweede dichtbundel, Uit de hoge boomgeschreven, zou pas in verschijnen. Over het late verschijnen van de tweede bundel vgl.

Boucher, 29 p. Catalogus bij de tentoonstelling Van Geel in het Stedelijk Museum te Amsterdam, 15 december januari , met een week verlengd tot 29 januari. In de catalogus waren facsimiles van tien gedichten afgedrukt die naderhand, al dan niet gewijzigd, in Uit de hoge boom geschreven werden opgenomen.

De ene kunst leeft nooit zonder de andere, althans bij mij, E. Elly de Waard, Nawoord, in: Dan kom ik aan, als het schikt, p: Enkele veel te grote pakken van ouderwets degelijke snit - waarvan een broek later aan een jonge schilder en verwoed Nescio-fan werd afgestaan, die er een kachelpijp-broek voor zichzelf van maakte - en de lange grijze loden jas, die een kleine tien jaar lang een onafscheidelijk kledingstuk was van Chris. Een voor hemzelf niet zo veelzeggende, maar voor mij mooie afronding van de trits van voorwerpen die dienden om erop uit te trekken: Kennelijk vond Van Geel zo'n verzoek in een felicitatiebrief niet gepast en heeft hij de zin geschrapt.

De Engelbewaarder 1 2 januari , p Namelijk de passage Het is al weer zoo een poosje geleden Enno Endt aan Elly de Waard, resp. Amsterdam 12 september Amsterdam 8 maart Over Van Geel en het atelierhuis, vgl. Elly de Waard, Chris van Geel: Vrij Nederland, 12 maart Uit: Ik kreeg ze opgestuurd via Elly de Waard, of ik er iets over zou willen schrijven voor het nummer dat het literair-historische tijdschrift De Parelduiker aan hem wijdt.

Ze zijn uit een map uit , de tijd dat ik hem leerde kennen. Ze zijn nog niet af, dat zie je aan de krabbels in de kantlijn.

Er zullen er hier maar drie ter sprake kunnen komen. Ze zijn uitgetikt, iets wat hij zelf niet deed. Zoals er nu schrijvers zijn die nog altijd vastberaden niet op een computer werken, zo heeft hij, die van was, de stap naar Zelf Tikken nooit gezet.

Poëzie, dat was wat Chris J. Een af gedicht, dat was eigenlijk de dood, een af leven bestond ook niet, hij leefde scheppenderwijs. Eigenlijk was een gedicht getikt al halfdood. Ik was twintig toen ik hem voor het eerst bezocht, bijna twee jaar voor zijn dood op 8 maart Ik heb nooit iemand leren kennen die zó op het eigenste moment leefde als hij. Ik herinner me niet dat hij het ooit over vroeger had.

Hij was altijd aan het beseffen, dat is misschien de formulering. En intussen verloor hij de tijd. Ik herinner me dat we dagen lang tegenover elkaar zaten, in de serre van 't Vogelwater, het gewezen rusthuis diep in de Castricumse duinen waar hij en Elly de Waard na het afbranden van het vorige huis waren gaan wonen. Mijn poëziedebuut zou uitkomen, ik had voor het manuscript net de Reina Prinsen Geerligsprijs gekregen Hij had mijn gedichten in het Hollands Maandblad en Tirade gezien. Ik had hem in een interviewtje in Trouw de grootste levende Nederlandse dichter genoemd.

Hij wist dat ik een epigoon van hem was. Bij de kennismaking had hij grinnikend voorgesteld dat ik hem meester zou noemen. Hij torende boven mij uit, mager, Beckett-achtig, hij was goed in ironisch hoffelijk naar beneden kijken.

Hij vond mij ongeduldig - jong, prematuur. Hij was terdege mijn meester, mijn doctor in de aandacht. Hoe je aan wat je al geschreven hebt betekenis, altijd meer betekenis kunt toekennen; hoe je je eigen, minste, meest verborgen gedachten kunt leren zien als buitenkansen; hoe je je aandacht kunt spannen als een web waar zo onwillekeurig mogelijke, halfbewuste denkbewegingen in vliegen; hoe alles uiteindelijk draait om stilte, om een ascese: Ik had een onjeugdige hang naar die dingen, ik wilde zielsgraag een leven verder zijn, ik herinner me mijn hoofd, ook dat van toen, als eigenlijk altijd te druk, altijd maar lussend om zichzelf, en meende te begrijpen dat dit ook voor hem gold.

Hij zei een keer dat hij geen drugs gebruikte omdat zijn bewustzijn al verruimd was, ik heb met hoe ik denk mijn handen vol. Ik zocht beslist ook een vader, maar die was hij niet.

Als je het mythisch zou zeggen, dan was hij een verwekker, geen grootbrenger. Het was ook niet echt onderricht dat ik kreeg. We zaten in zijn werkserre aan iets wat ik mij herinner dat een keukentafeltje was. Het was volkomen vanzelfsprekend dat ik, meteen na de allereerste begroeting, op die plek terecht kwam, met mijn rug naar de tuin omzoomd door duinbos.

Een paar maanden later zouden daar, na een storm, grote bomen omgewaaid zijn. Toen die in stukken waren gezaagd noemde hij de tuin Pompeï. Er werd vanuit gegaan dat ik daarvoor was gekomen: En ik weet dat ik totaal niet verbaasd was over deze gang van zaken. Ik voelde me niet gebruikt, integendeel: Later ontdekte ik dat hij een aantal mensen op deze wijze bij zijn dichtwerk betrok, hij noemde ze tuttelaars. In die laatste jaren van zijn leven was Tom van Deel die mij met hem in aanraking had gebracht de gewichtigste, de postume bundel Enkele gedichten is door Van Deel bezorgd.

Op een dag kreeg ik de titel junior-tuttelaar. Poëzie schenkt, net als God, de lezer vrijheid, dat is misschien wel haar bestaansrecht. Voor mij is dát van meet af aan de ervaring geweest bij het lezen van Van Geel. Een gedicht van hem verlangt hevig naar betekenis, het is alsof het, hoe lang er ook aan is gewerkt, altijd net niet weet wat het betekent, het is alsof het werkelijk door de lezer, al lezend, wordt voltooid.

En de lezer is daar vrij, er gaat van het Van Geel-gedicht geen dwang uit. Het is, hoezeer ook van woorden gemaakt, een beeld, zoals gedefinieerd door de filmer Andrej Tarkovski: Het beeld is er om het leven zelf uit te drukken, en niet de voorstellingen en denkbeelden over het leven.

Een Van Geel-beeld imponeert niet, het zoekt het onaanzienlijke, het minste verborgen drinken van je wortelkroon. Vrijheid is het raadsel, en Van Geel beoefende dat door in de eerste plaats helder te zijn. Hoe helderder het gedicht, des te ondoorgrondelijker. De neerlandicus Enno Endt, die de eerste helft van zijn dichtersleven bevriend met hem was, herinnerde zich dat Van Geel hem op een wandeling als hij niet aan het dichten of slapen was - twee verwante bezigheden, zoals uit veel gedichten blijkt - dan wandelde hij wees op prikkeldraad dat in de boomschors was ingegroeid.

Wat is dat, zei hij, dat is iets, hè? Hij voelde dat het iets met zijn eigen leven te maken had. Deze scène wordt gememoreerd in het schitterende en on-. Er moet betekenis zijn, wat je raakt heeft met je leven te maken, het centrale dichtersmirakel is herkenning, iets onkenbaars in jezelf wordt herkend in de tastbare wereld, en je staat in de vrijheid om altijd meer betekenis te onderkennen, meer te herkennen, altijd meer.

Zo bekeken we de stapels uitgetikte varianten van zijn gedichten in uitvoering: Hij keek er naar alsof het raadsels waren die door een ander aan hem waren opgegeven.

Die ander gaf hij zelf, die zich in zijn jeugd surrealist had genoemd, soms de naam van onderbewuste. De ander was natuurlijk zeker ook de taal.

Bij de gedichten die ik opgestuurd heb gekregen zat deze: Het is alsof de dingen die gebeuren volmaakter zich aan ons voltrokken toen, toen wij nog onverbloemd beschikbaar waren. Het is of een voor een de ogen dicht gegaan zijn - ook de eigen - die eens keken, niet dood, maar op een ander punt gericht.

Het kan zijn dat dit gedicht het niet tot bundeling in Enkele gedichten heeft gebracht omdat het te betogend is, te weinig zinnebeeld. Het is het enige gedicht van de zending waar ik me duidelijk van herinner dat het door onze handen is gegaan. Dat komt door onverbloemd beschikbaar. Ik herinner me dat ik me er sterk van bewust was dat daar iemand als ik zelf mee bedoeld werd: Ik kan mezelf, vrees ik, niet als gaaf herinneren.

Geheugen begint pas te werken bij verlies. Het woord onschuld zal Van Geel niet snel gebruiken schuld is geen categorie waar hij in dacht , maar wel synoniemen, gaaf, ongeschonden, ongerept. Dat je verbloemd zou kunnen worden trof me, en dat is de hele herinnering aan de opgestuurde gedichten. Later, toen hij - met mijn grootvader - mijn eerste dode bleek te zijn, kon ik gaan beginnen te ervaren wat hij met verbloemen bedoelde. Ik heb zijn dood, en daarna tijd nodig gehad om te begrijpen hoezeer zijn werk, van meet af aan, in het teken van missen staat, van het volkomen, met al je zintuigen, beschikbaar willen zijn voor de doden, terwijl je, per dode, een oog verliest.

Het beeld dringt zich op van een bewustzijn dat aanvankelijk bestaat uit een pau-. De dichter tracht per gedicht weer onder de levenden te komen, daar waar de dingen die gebeuren gebeuren. Rust zacht Dood is wraak niet in de nacht door dor blad te horen sluipen onder bomen, om het huis, in het weiland bij de stal. Het personifiëren van de dood, hem oren geven die boos zijn, en niet de doden kunnen horen sluipen om het huis Als je dood bent, dichter, wat betekent dood dan?

Waar ben je, als ik je dit vraag? De eerste bloei, het laatste web. Onregelmatig regelmatig is het deksel van de zee. De branding is ver weg. De vloei van eb vraagt ga je mee. De laatste zinsnee is eenvoudigweg een van de mooiste die ik van wie dan ook heb gelezen. Ik hoop dat dit gedichtje niet door onze handen is gegaan, in , daar aan het tafeltje in de serre, want als het wel zo is, dan betekent dit dat ik over het vermogen beschik om het mooiste te vergeten.

Maar misschien is dat precies wat hij bedoelde toen hij, in een wel gepubliceerd gedicht, schreef: Het mooiste leeft in doodsgevaar. Het leeft dankzij het doodsgevaar. Leg dat maar 's uit. Lisette leunde achterover waarbij ze haar kutje omhoog duwde, haar tieten stonden fier vooruit met de harde tepeltjes er bovenop. Ze strekte haar lichaam iets verder naar achteren en pakte iets uit het jasje dat ze achter zich op de vloer gedeponeerd had. Ik zag dat ze uit één van de zakken een vibratortje haalde dat ze er had ingestopt voor ze naar beneden kwam.

Geil likte ze haar lippen, ik werd bloedgeil van deze voorstelling “was dit mijn vrouw”? Ze opende nu haar mond en pijpte de vibrator waarvan ik goed wist hoe het voelde als ze haar lippen zo om mijn lul sloot. Ze maakte smakkende geluiden en likte met haar tong de schacht van het paarse ding, liever had ik gehad dat ze mijn lul zo in haar mond had die ondertussen gewoon pijn deed in mijn broek. Geil liet ze de nu kop over haar tepels glijden, waarbij ze hem aanzette, waardoor haar tepels nog harder werden.

Ze liet hem daarna mij geil aankijkend en haar lippen likkend over haar buik naar beneden glijden. Ze liet hem een klein stukje in haar openstaande kutje glijden pompte het trillende geval even op en neer om hem daarna weer naar buiten te halen, plaatste hem op haar klitje en kreunde toen de kop haar gevoelige plekje raakte, “mmmm lekker, is dit geil genoeg mannetje van me” kreunde ze geil, “ja dit kan er wel mee door hoor” lachte ik. Lisette ging door met haar spel tot ze zichzelf kreunend had bevredigd met de vibrator.

Kreunend lag ze nagenietend haar borsten te strelen, en ik? Zat nog steeds genietend naar haar te kijken met een enorme spanning op een bepaalde plek. Ze kwam overeind en zei nog maar eens om het me duidelijk te maken voor het geval ik haar niet begrepen had, “niet aanraken, je handen thuis houden, leg ze maar op de leuning van de stoel. Op haar knieën kwam ze voor me zitten en maakte met haar slanke vingers mijn broek los, sommeerde me om mijn kont op te tillen waarbij ze in één beweging mijn jeans en slip naar beneden trok.

Eindelijk kreeg mijn stijve pik de vrijheid. Ze maakte me helemaal gek, ik kreeg haast kramp in mijn handen zo hard moest ik mijn best doen om de stoelleuningen vast te houden om niet haar hoofd vast te pakken en mijn pik in haar mond te stoppen om haar te dwingen me te pijpen.

Maar ik kon me beheersen en liet Lisette haar gang gaan, eindelijk nam ze dan mijn kloppende paal in haar mond en zoog haar wangen hol terwijl ze met haar ene hand mijn ballen masseerde en met de andere mijn lul zachtjes aftrok. Ik kon het niet langer verdragen tot mijn spijt, want dit zalige gevoel had ik nog wel een tijdje willen laten duren. Schokkend spoot ik mijn sperma met dikke stralen in haar zuigende mond, waarbij Lisette door bleef gaan met pijpen en masseren van mijn lul tot ik grijnzend tot rust was gekomen.

Dankbaar streelde ik haar zwarte haar en trok haar naar me toe om haar te bedanken met een warme zoen, onze tongen vonden elkaar en speelde een kronkelend spel met elkaar waarbij ik de smaak van mijn eigen zaad proefde.

Boven trok ik als een speer mijn kleding uit die ik nog had, en stortte mezelf op de kale sappige spleet van mijn vrouw. Tijdens het likken van haar kutje werd mijn pik vanzelf weer stijf daar hoefde ze me niet eens voor te pijpen. Het duurde dan ook niet lang voor ze kreunend en schokkend klaarkwam op mijn tong waarbij ik moeite had om mijn mond op haar spleet te houden. Ik gunde haar hierna geen rust. Ik draaide haar om, zette haar op handen en knieën en duwde met één stoot mijn harde pik in haar natte gleuf en neukte haar lekker lang doordat ik al een keer was klaargekomen.

Voor ik een tweede keer klaar kwam had Lisette haar tweede orgasme al te pakken en kreunde het uit van geilheid en genot. Voldaan rolde we naast elkaar op bed, “nou jij weet wel hoe we het weer spannend kunnen maken zeg” zei ik Lisette ondertussen lachend op haar tepels kussend.

Ja daar had ik zo snel geen passend antwoord op we besloten om er samen eens een weekje over na te denken om er daarna op terug te komen. Die week waren we de hele week geil en hadden bijna elke dag sex, niet perse neuken, maar ook s’avonds op de bank even vingeren, zoenen, strelen, likken pijpen of simpel even snel aftrekken, alleen al het nadenken en fantaseren over dingen om ons sexleven nieuwe impulsen te geven was blijkbaar al genoeg om het vuurtje weer te doen oplaaien.

De eerst volgende zaterdag hadden we een feestje bij mijn zus en haar man waar de kids bleven slapen, ik zou ze de volgende morgen pas op gaan halen om ze niet wakker hoeven te maken. Toen we later die avond met zijn tweeën thuis in bed lagen begon Lisette dat ze erover nagedacht had wat ze wel zou willen van of liever iets met mij.

Met grote geile ogen keek ze me aan en knikte van ja, “ohh schat als jij het goed vind om mij te zien neuken met een ander, jaaaaa anders niet hoor” kreunde ze geil. Er gingen een aantal weken voorbij waarin de sex drive weer wat verminderde en eigenlijk net weer net als altijd werd.

Op mijn werk wist ik van één van mijn collega’s dat hij samen met zijn vrouw wel eens een club bezocht, het geval wilde dat ik samen met hem naar een klant toe moest. Dus onderweg bij hem in de auto kwam die kans vast wel. Voor ik voldoende moed verzameld had, werd er over werk gepraat tot het gesprek op Linda kwam een van de meiden die bij ons op kantoor werkte, “Mmm” zei Ron “daar zou ik me best eens mee willen vermaken Frieda trouwens ook”. Ik zag mijn kans schoon en vroeg quasi onschuldig, “jullie bezoeken toch ook wel eens samen een paren club of zoiets”?

Ron keek me vragend aan en zei “klopt we gaan er meestal één keer in de twee á drie maanden heen soms ook wel een vaker, hoezo”? Aan het eind van de dag stopte Ron me een briefje in mijn hand waar een aantal namen van clubs op stonden. Die avond hebben we samen op internet zitten kijken naar wat er zoal te koop was op het gebeid van clubs enz. Lisette twijfelde wel even maar de nieuwsgierigheid overwon de twijfel, ze kende de vrouw van Ron van personeelsfeestjes en ze kwam haar nog wel eens tegen bij de sportschool, en Ron kende ze tenslotte ook, dus stemde ze toe in mijn voorstel.

Ik maakte een afspraak die kwam er op neer dat we eerst ergens gezellig met zijn vieren wat gingen eten om daarna bij ons thuis nog een afzakkertje te nemen. De dag na de uitnodiging aan Ron kwam hij vol enthousiasme op het werk en zei dat Frieda het een leuk plan vond en misschien konden we eens met zijn vieren naar een club gaan als jullie dat willen, want Frieda vind jou wel een leuke vent, en Lisette ziet ze ook wel zitten had ze gezegd volgens Ron. Die zaterdag was heel gezellig en daarbij informatief nuttig, Lisette kon het goed met Frieda vinden en was razend enthousiast over wat die haar vertelde over de verhalen van hun club bezoek.

Bij het afscheid na een borrel bij ons thuis hadden we min of meer al besloten een keer naar een parenclub te gaan, met of zonder hen. Na een week of twee vroeg Ron op een donderdag “hé collega hebben jullie al besloten wanneer je gaat? Ik beloofde hem het met Lisette te bespreken, wat ik die avond deed.

Lisette vond het een goed plan om samen met Ron en Frieda mee te gaan omdat die er al ruime ervaring mee hadden, en als je niets wilt hoeft er ook niets had Frieda gezegd dan kun je ook gewoon kijken of het alleen met elkaar doen als jullie willen, er hoeft niets, je mocht gewoon weigeren of aangeven dat je niet wilde als iemand je vroeg, of aangaf met je mee te willen doen of wat dan ook. Lisette was de hele dag al opgewonden, s’middags liep ze al zenuwachtig door het huis, vol spanning wat de avond ons zou brengen, ze had een leuk setje uitgezocht met kousen en jarretelles, een sexy string en een kwart cup bh.

Daarbij had ze zichzelf heerlijk opgemaakt en een leuk jurkje maakte het geheel af. Toen ze dan ook de trap af kwam in haar outfit werd ik op slag geil van haar verschijning alleen al. Om acht uur stonden Ron en Frieda, “die er trouwens ook al zo heerlijk sexy gekleed uit zag”, voor de deur om ons op te halen. Frieda gaf mij een zoen, en Ron Lisette waarna Frieda Lisette keurde en haar prees om haar kleding keuze. Frieda streelde over haar billen en betastte haar borsten, die dit niet verwachtte en even schrok van de onverwachte aanraking van Frieda.

Frieda lachte en gaf nog een kneepje in haar tepels voor ze het jurkje fatsoeneerde. Frieda lachte en zei “dat heb ik ook hoor meid, voel maar” en ze pakte Lisette’s hand die ze onder haar rokje schoof waar ze een drijfnat kruisje aantrof, “Ik trek straks even een droge aan” zei Frieda, “dat heb ik altijd bij me als we naar zo’n avondje gaan”. Lisette raakte zachtjes haar kutje aan en wreef daarbij even over Frieda’s klitje. Zo te zien vond ze het allemaal reuze spannend, wij mannen stonden erbij en keken er naar.

Lisette drukte haar mond op die van Frieda om haar een warme tongzoen te geven, haar hand gleed daarbij over de kleine maar harde borst van Frieda en kneep even in haar tepel.

Wij liepen vast naar de auto, waarbij Ron riep, “hé komen jullie nog” omdat de vrouwen niet achter ons aan liepen. Onderweg zaten de meiden ons te plagen en Frieda gaf mij daarbij een paar kusjes in mijn nek, iets waar ik enorm geil van wordt maar ik kan er ook slecht tegen als een vrouw dat bij me doet. We kwamen na een klein uurtje aan op de plaats van bestemming waarvan ik de locatie niet kende maar ik vertrouwde op de keuze van onze nieuwe vrienden.

Het zag er van buiten wel gezellig en verzorgd uit, niet een huis waarvan je meteen zou denken dat er een parenclub in gevestigd was. Het lag mooi vrij en beschut net buiten de bebouwde kom van de plaats waar de club gevestigd was. Nadat we aangebeld hadden werd er open gedaan door een vrouw die zich voorstelde als Karin en ons verwelkomde met “hoi welkom, kom verder”. Het was nog niet erg druk maar dat zou over een uurtje wel anders zijn volgens Ron.

Aan de bar zat een aantal mannen en vrouwen gezellig met elkaar kletsen. Wij gingen aan een tafeltje zitten, bestelde een drankje waarbij Ron ons uitlegde wat de bedoeling was, en wat wel en niet mocht. Daarna werden we door de vrouw die ons binnen liet rond geleid door het pand waarbij we verbaasd waren over wat er allemaal aanwezig was in het pand en vooral over de grootte en verschillende ruimtes die er waren.

Eerst liepen we door een lange gang waar aan het einde een kleedruimte was met kluisjes waar we onze kleding en waardevolle spullen in op konden bergen wanneer het zover was dat iedereen zich in erotische kleding “ondergoed dus” moest hullen.

Daarna, leidde Karin ons verder rond, langs de verschillende ruimtes en het sauna gedeelte met het zwembad die achter aan het pand in de tuin lag, waarbij ze vertelde dat het niet toegestaan was om in de sauna en het zwembad sex te hebben in verband met de hygiëne.

Na de tour bracht ze ons terug naar de bar waar het inmiddels al flink drukker was geworden. Hier vertelde Frieda me dat ze een verrassing voor Lisette had, waar ze niets van mocht weten, ze legde het mij uit en vroeg of ik het een probleem vond.

Ondertussen was het behoorlijk druk geworden en het was tijd om de gewone kleding in te gaan ruilen, voor de dames erotische lingerie voor zover ze dat nog niet aan hadden en voor de heren was een boxer short of een ander erotisch kleding stuk naar eigen keuze het enige stukje toegestane textiel.

In de locker ruimte achter in de hal ging iedereen zich om kleden waarna men weer terug kwam naar de centrale ruimte met de bar. Er werd door verschillende mensen wat gedanst en zo hier en daar werd er aan de bar en in de zitjes al wat gerommeld. Bij één van de aan ons geshowde ruimtes stopte ze voor de deur en vroeg ons even te wachten.

Frieda ging naar binnen en kwam even later terug met een blinddoek, “Ik heb een verrassing voor je geregeld” zei ze tegen Lisette, die mij vragend aankeek. De blinddoek werd bij haar omgedaan waarna ze door Frieda bij de hand genomen werd die haar de ruimte binnen leidde met ons er achter aan. De ruimte was schaars verlicht wat een aparte sfeer teweeg bracht iets wat Lisette niet kon zien maar spoedig zou gaan beleven.

Er klonk geroezemoes van de aanwezige mannen en vrouwen in de ruimte die “de Kelder” heette. Lisette kreeg nu blijkbaar last van zenuwen want ze wilde de blinddoek afdoen.

Hierna trok ze de touwen strak en maakte ze vast aan een paar ogen die aan de zijkant in de muur zaten. Daar stond ze dan mijn Lisette die door de zenuwen een gejaagde ademhaling had en een kleur van spanning wat er met haar ging gebeuren, ze kon geen kant meer op, haar armen waren net zover opgetrokken dat ze met gespreide benen kon staan waar ze van Frieda opdracht toe kreeg. Laat het maar over je heen komen lieverd” fluisterde ze in Lisette’s oor er gebeurd niets dat je niet wil, je kunt stop roepen als je niet meer wil”.

Lisette knikte dat ze het had begrepen maar was zo geil dat ze dat zeker niet zou doen daar kende ik haar goed genoeg voor. Een van de aanwezigen ging achter haar staan en weef zachtjes van achteren over haar half ontblote borsten, “niet doen” zei Lisette geschrokken door de onverwachte aanraking op haar blote huid.

Lisette knikte dat ze het begrepen had. Nu kwamen er meer mensen om haar heen staan en overal zaten de handen aan haar lichaam. Frieda mengde zich in de menigte en trok Lisette’s stringetje uit. Ze liet voorlopig het bhtje voor wat het was omdat haar tepels door de kwart cups gewoon bereikbaar waren. Ze ging nu voor Lisette staan en begon met haar hand over Lisette’s kutje te wrijven, ik zag dat ze hier zo geil als boter van werd, wat bevestigd wordt doordat ze met haar heupen begon te draaien en tegen de strelende hand op stond te rijden als deze in de buurt kwam van haar klitje.

Ze had geen idee hoeveel mensen er aan haar lichaam zaten. Ik zag hoe een man twee vingers in haar soppende spleet stak en haar begon te vingeren, een ander wreef over haar billen die door een derde gespreid werden die op zoek ging met zijn vingers naar haar strakke sterretje.

Lisette draaide even met haar billen heen en weer, waarschijnlijk omdat ze nog nooit iets in haar kontje had gehad. Ondertussen werden haar borsten ook lekker gemasseerd door een weer een andere kerel en een vrouw die op haar tepels zoog. De man die met zijn vingers in haar inmiddels lekkende kutje zat haalde ze eruit om ze door Lisette zelf af te laten likken, daarna ging hij achter haar staan, haalde zijn dikke worst een paar keer door haar spleet, om hem makkelijk naar binnen te kunnen krijgen en zette hem tegen haar al lekkende spleet.

Hierop duwde Lisette haar kontje iets naar achteren om het hem makkelijker te maken haar te neuken, en de pik schoot in haar kutje, de man pakte haar heupen en neukte nu mijn vrouw met lange halen tot ze stond te kreunen van genot, het kon in mijn optiek dan ook niet lang meer duren voor ze klaar kwam, de geilheid straalde van haar af, dit was heerlijk om te zien hoe ze geneukt werd door een ander.

Toen ze bijna haar hoogte punt bereikte stopte iedereen met de strelingen, ook de man die haar neukte trok zich terug, Lisette was nu op haar geilst dit wist ik uit ervaring, ze stond bloedgeil te draaien en te kreunen in de touwen, haar handen werden nu losgemaakt “ohhh” kreunde Lisette, “jullie zijn gemeen, waarom stoppen jullie nou”.

Frieda legde een kussen onder haar kont waardoor haar kale kutje omhoog geduwd werd. Ze moest nu haar armen langs de poten naar beneden laten hangen waarna ze door Frieda werden vastgebonden.

Ook haar enkels werden vast gemaakt zodat ze met haar benen gespreid haar kale spleet showende voor alle aanwezigen in deze ruimte. Lisette’s kutje glom van haar geil, één van de aanwezige heren streelde nu haar billen, liet zijn vingers door haar natte gleuf glijden en vingerde nu mijn Lisette die er bij lag als een geile slet en gebruiksvoorwerp voor iedereen die haar wilde neuken. Ik boog me voorover en fluisterde in haar oor “dit is toch de spanning die je wilde, nou je wordt vanavond op je wenken bediend” net op het moment dat er een kerel tussen haar benen kwam staan en zijn paal in haar natte kut duwde en begon te neuken.

Frieda trok mij naar achteren, knielde voor me neer en likte mijn eikel, “kom maar eens hier lekkere vent, en kijk maar eens hoe lekker je meisje geneukt wordt terwijl ik jou lekkere piemel verwen met mijn mond” zei ze met een geile blik in haar ogen voor ze mijn pik in haar mond nam.

Ik zag hoe er een kerel voor Lisette ging staan die haar hoofd vast pakte en haar zijn lul aanbood, ze opende haar lippen en hapte de pik van de man in haar warme mond haar lippen sloten zich om zijn eikel, ik zag hoe ze haar wangen hol zoog om de kloppende pik. De kerel achter haar neukte zichzelf in haar leeg, trok zich terug en meteen werd hij vervangen door één van de andere kerels die eerst haar kutje weer even vingerde voor hij zijn lul in haar ramde.

En dan bedoel ik echt ramde hij neukte haar zo hard dat de tafel waarop ze lag telkens een stukje naar voren schoof waardoor de lul die ze pijpte telkens diep in haar keel schoot, de kerels kwamen vrijwel tegelijk klaar, en weer werd de lul in haar kutje vervangen door een paar nieuwe vingers alleen nu door die van een vrouw die “de geile teef wel even op zou warmen voor de vette lul van haar man” zo zei ze.

Ook de lul in haar mond werd vervangen door een ander exemplaar terwijl de slierten sperma nog aan haar kin hingen. Lisette had inmiddels drie vingers in haar kutje die door de eigenaresse ervan steeds sneller in en uit gepompt werden, haar man bewerkte tegelijk haar klitje met zijn vingers wat een gekreun van jewelste opleverde ik herkende mijn eigen vrouw nauwelijks zo geil was ze.

De vingers in haar spleet hadden haar op de grens van een orgasme gebracht, ze gilde het uit toen het orgasme zich van haar lichaam meester maakte, en goddelijk kwam ze klaar op de pompende vingers, “ohhhhhhh, jahaaa, mmmm ja, ja ga door gilde ze” wat niet tegen dovemans oren werd gezegd want een ander nam het inmiddels weer over, ik zag hoe een straaltje geil langs de binnenkant van haar benen droop.

Heel even lieten ze haar wat bijkomen maar niet lang, haar hoofd werd weer opgetild en een nieuwe pik werd in haar mond geschoven. De kerel die haar vingerde spreidde haar schaamlippen met beide handen en ik zag hoe hij zijn wel erg dikke lul, zeg maar enorme lul probeerde in haar kutje te duwen. Even zag ik mijn geile teefje de lul in haar mond loslaten en naar adem happen, “Ohhh “riep ze voor ze de lul weer in haar mond nam “ik zit helemaal vol met pik, ja ga door neuk me, neuk me nu” riep ze nog voordat het geluid gesmoord werd door de lul die weer in haar mond geduwd wordt.

De man stootte zijn lul diep en hard in haar natte kut steeds sneller en sneller en harder tot ze bijna klaar kwam dan stopte hij. Lisette die de pik in haar mond al had laten spuiten riep, “nee niet stoppen ga door ik wil geneukt worden ik wil klaarkomen, ga door” jankte ze bijna van verlangen naar de dikke lul. De man beantwoorde haar noodkreet en duwde zijn knots weer bij haar naar binnen “is dit wat je bedoelde meid” riep hij ondertussen de knots hard in haar spleet rammend. Het duurde dan ook niet lang eer ze krijsend klaar kwam op de vette paal, de kerel spoot zijn zaad op haar spleet en smeerde het uit over haar buikje waarna haar handen en enkels werden losgemaakt.

Frieda hielp haar om weer te gaan staan en duwde meteen haar tong bij Lisette in haar mond, die de kus hartstochtelijk beantwoorde. Het waren beduidend meer personen dan die de ruimte verlaten hadden. Aan de achterkant werd nu een soort gordijn geopend waar een podium achter tevoorschijn kwam dat we niet gezien hadden tijdens de tour, wat achteraf bewust gedaan was. Lisette werd door Frieda bij de hand genomen en door haar het trapje aan de zijkant opgeleid waardoor ze op het podium kwamen, iets wat ze zelf niet kon zien omdat ze nog steeds de blinddoek voor haar ogen had.

Tot nu is al danig verwend en opgewarmd voor de finale die we haar hier op het “podium” gaan laten ervaren”. Lisette kreeg applaus van de aanwezigen, waar ze nog roder van werd als ze al was, allen nu van schaamte doordat ze niet kon zien wie haar hier zo open en bloot konden bekijken. Ron die Frieda nu assisteert wenk een aantal vrouwen om op het podium te komen die met zijn allen om Lisette heen gingen staan.

Ze werd door hen opgetild en in, “naar wat ik later hoorde” de love swing gelegd. Deze was met kettingen aan de balken in plafond opgehangen, hierbij gleden de borsten van de vrouwen langs Lisette lichaam, en ik zag dat door het gevoel van deze aparte aanrakingen er een rilling door haar lichaam ging.

Haar benen werden gespreid en met leren enkel boeien aan de kettingen bevestigd. Ook om haar polsen kreeg ze een dergelijk setje boeien die aan de kettingen bij hoor hoofd werden bevestigd. Nu lag ze klaar voor de dames die haar nu overal waar ze bij kunnen begonnen te betasten. Eén van de vrouwen boog zich voorover en duwde haar tong bij Lisette in haar mond die deze zoen gretig beantwoorde.

Het was na eerder op de avond Frieda de eerste keer dat ze dit met een vrouw deed, maar zo te zien maakte haar dit niet uit en was ze zo geil als boter door de graaiende handen op haar willige lichaam. Er werden kleine klemmetjes op haar tepels gezet wat een super geile uitdrukking op haar gezicht teweeg bracht, een grimas van pijn en genot.

Een aantal vrouwen verkende het grotje van Lisette met hun vingers wat haar een geruisloos orgasme opleverde, iets wat alleen zichtbaar was voor iemand die haar kende ik dus , maar ook één van de vrouwen viel het op die hierop direct een vinger tegen haar sterretje aan zette en hem langzaam naar binnen duwde, en even later zelfs een tweede vinger terwijl een mollige blonde dame haar kutje vingerde. Toen de vingers langzaam uit haar kontje getrokken werden nadat de vrouw haar even zo gevingerd had wat ze zo te zien niet onaangenaam vond werden ze meteen vervangen door een best flinke plug die ze met haar mond eerst even bevochtigd had voor ze hem inbracht.

Met een zucht ontving Lisette hem in haar kontje, ze probeerde te ontspannen wat haar maar gedeeltelijk lukte, ze ontspant zich pas als hij er helemaal inzit. Nu maakte de vrouw plaats en Ron ging tussen haar benen staan die zijn dikke piemel bij haar naar binnen drukte en haar stevig in een flink tempo begon te neuken. De man die bij de mollige blonde dame hoorde liet de swing iets zakken zodat Lisette’s mond op de goede hoogte kwam om zijn pik in haar mond te nemen waarbij hij ondertussen een paar dames aanspoort om de tieten van deze slet maar eens goed onderhanden te nemen wat ze met plezier en vol overgave deden, de klemmen werden verwijderd die eerder waren aangebracht wat best even een paar pijnscheuten veroorzaakt in haar toch al zo gevoelige tepels, die door de vrouwen liefdevol werden weggezogen.

Mannen en vrouwen verlustigden zich nu aan Lisette’s lijf zonder dat ze zich daartegen kon verzetten, iets wat ze in dit stadium van geilheid zeker niet meer zou willen. Ze werd genomen door de één na de ander en menige pik verdween in haar mond om lekker gezogen te worden, haar kut en gezicht glommen inmiddels van het zaad.

Dan werd de plug verwijderd door een vent met een enorme lange maar ook dunne lul, met best nog wel dikke eikel voor zo’n slanke pik. Hij laat wat glijmiddel over zijn lul lopen dat hij met zijn hand uitsmeerde, waarna de eikel voor het opgerekte gaatje hield en hem rustig en langzaam naar binnen duwde tot hij er helemaal in zat. Eén van de vrouwen die aan Lisette’s tepels had staan zuigen deed een eerste mislukte poging om een dikke vibrator in haar al verwende spleet te duwen wat pas lukte nadat de kerel die zijn lul in Lisette’s kontje had zitten hem een stukje had terug getrokken.

Deze werd aangezet en de kerel begon met lange halen rustig in haar nauwe tunnel in en uit te bewegen waarbij één van de andere vrouwen nu een mini vibratortje op haar clitoris plaatste en deze zachtjes heen en weer bewoog.

Ze probeerde hem daarbij zo goed mogelijk op haar knopje houden om de trillingen maximaal door te kunnen geven op het gezwollen mini pikje. Dan opeens spande haar lichaam zich, ik zag dat ze haar orgasme nog even probeerde uit te stellen, maar ze hield het echt niet meer ze begon te schokken en te trillen en te gillen waarbij de kerel die nu ook klaarkwam uit haar kont schoot, en zijn zaad over haar buik spoot er kwamen zelfs een paar dikke romige klodders op haar tieten terecht.

Wild schokkend en trillend trekt ze gillend klaarkomend aan haar boeien waarbij de vibrator uit haar krampende kut schoot samen met een straal doorzichtig geil dat tussen haar schaamlippen vandaan spoot, even hing ze voor pampus in de swing waarna ze een applaus kreeg en werd losgemaakt door twee mannen die haar optilde en neerlegde op het grote bed achter op het podium. Daar wordt haar te kennen gegeven op de stijve lul plaats te nemen van de kerel die haar nog niet eerder had geneukt.

Terwijl ze zich zo liet zakken werd ze door een ander voorover geduwd die tegen haar zei dat ze op haar handen moest steunen. Lisette nog steeds verdoofd door alle geile ervaringen deed gewillig wat haar gevraagd werd en voelde hoe achter haar de lul van de man tegen haar kontje drukte. Voor het eerst in haar leven wordt ze gesandwiched, voor vandaag had ze nog nooit eerder iets in haar kontje gehad dat dikker was als een thermometer.

En nu werd ze vandaag al voor de tweede keer in haar kont genaaid en door een veel dikkere lul dan de eerste. Zo te zien vond ze het heerlijk om zo alle twee haar gaten vol te hebben. Terwijl ze door twee mannen werd genomen knielde Frieda over het hoofd van de man wiens pik diep in Lisette’s kut zat. Ze steunde achterover zo haar kut aanbiedend om gelikt te worden waarbij ze het hoofd van Lisette met haar hand naar haar kut duwt omdat deze nog steeds de blinddoek om heeft, ze twijfelde geen moment en begon de kut van Frieda te likken terwijl de man haar kontgaatje met zijn tong verwende, samen kregen ze het voor elkaar om Frieda klaar te likken.

De man die in haar kontje neukte was inmiddels klaar gekomen en werd afgewisseld door een tweede en daarna zelfs nog door een derde. De kerel in haar kut had inmiddels ook zijn kruit verschoten, nu werden Lisette en Frieda samen op hun rug gelegd de meiden werden nu samen door twee ander vrouwen gevingerd en gelikt tot ze nu samen klaar kwamen. Hierna werd ik uitgenodigd om als laatste mijn vrouw te neuken, maar ik wilde ook Frieda dus neukte ik afwisselend Frieda en mijn eigen vrouw, om de beurt stootte ik vijf keer in een kutje om dan de ander weer te vullen tot ook ik mijn zaad over hun kale kutjes spoot, dikke stralen kwamen op hun buik terecht waarna ik me tussen de twee dames op het bed liet vallen en Lisette zoende en vroeg of het haar bevallen was.

Voor ze antwoord op mijn vraag kon geven verwijderde Frieda de blinddoek bij Lisette die nu pas zag hoe de hele ruimte voor en op het podium gevuld was met naakte mensen die met elkaar bezig waren en die ook haar verwend hadden. Vol verbazing keek ze naar het tafereel dat zich in de ruimte afspeelde. Ze gaf me een zoen en zei “bedankt schat, het is me zeker bevallen dit doen we vaker als jij het goed vind maar nu wil ik even douchen ga je met me mee”?

Heerlijk opgefrist hebben we daarna met zijn vieren nog wat aan het barretje gedronken en gezellig nagekletst over de heerlijke ervaring. Daarna zijn we met Ron en Frieda mee naar huis gegaan waar we met zijn vieren de nacht hebben doorgebracht in het bed van Ron en Frieda waar Lisette toekeek hoe ik met Ron samen Frieda nog een lekker verwende, omdat Lisette’s onderkant wel erg gevoelig was door het hele gebeuren wat har was overkomen die avond.

Onze sleur was doorbroken en ons sexleven is tegenwoordig weer opwindend en spannend, soms bezoeken we samen met Ron en Frieda een club maar gaan ook wel samen en beleven daar heerlijke dingen.

Hilde lag topless naast mij. Verder had ze haar rode bikinibroekje aan. Het was niet de eerste keer dat ze topless ging, maar toch een van de eerste keren. Voor haar was het nog steeds een opwindend gebeuren en het was waarschijnlijk daardoor dat het haar opgeilde dat kon ik zien aan haar fiere stijve tepeltjes , en dat ze die middag veel verder ging dan ik ooit had durven dromen.

We waren 24, nauwelijks een jaartje getrouwd en we genoten van een heerlijke vakantie aan de Costa Brava. Het zandstrand was een beetje afgelegen en veel volk viel er nooit te bespeuren. Ik denk dat er zon vijftig mensen en een paar vissers op een kilometer strand aanwezig waren.

Een vijftal meter achter ons was er een klein zandheuveltje met wat woestijngras begroeid. Dit zandstrand was onze favoriete bestemming. We waren er al enkele dagen na elkaar naartoe gekomen. Waarschijnlijk door het afgelegen karakter van het strand en het feit dat er geen toezicht bestond golden er weinig regels. Iedereen gedroeg zich zoals hij of zij het wilde en men stoorde zich niet aan elkaar of probeerde ook de anderen niet te verstoren.

Het was zeker geen naaktstrand, hoewel we de vorige dagen toch wel enkele naturisten hadden gezien. Een van beide stond regelmatig eens op om naar de einder te staren alsof ze elk moment een invasie van mars verwachtte. Ik dacht dat ze het erom deed. Een mooi figuur had ze in ieder geval wel. Dat vond ook Hilde, die mij plagend verweet meer oog te hebben voor die vrouw, dan voor haar.

De dag daarvoor was zij echter een en al oog geweest voor een naakte man, die niet naast zijn vriendin, of vrouw bleef liggen maar die constant heen en weer liep te vliegeren. Ongegeneerd, alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Vandaag was geen van beiden aanwezig, en we konden ook niet echt een of andere naturist ontwaren op het strand. Omdat de zon hevig brandde en omdat Hilde maar zelden haar bovenstukje uitlaat moest ze zich wel regelmatig insmeren.

Uiteraard hield ik mij graag aanbevolen. Zo nam ik na een halfuurtje opnieuw de crème en begon haar nog eens grondig in te smeren. Natuurlijk ging de meeste aandacht naar haar volle borstjes en haar stijve tepeltjes. Mijn smeren werd al gauw een masseren van die hemelse tieten en het moet haar ook behoorlijk hebben opgewonden want ze vroeg me plots om toch vooral ook de randjes van haar broekje niet te vergeten.

Daar verbrand je namelijk het snelst. Ik begreep de hint. Ze lag nog steeds op haar rug. Ik deed opnieuw een beetje zonnecrème op mijn hand en begon haar onder de navel in te smeren, tegen de rand van het broekje aan.

Natuurlijk ging ik altijd ook even in haar broekje en ik werd daar met de seconde vrijpostiger in. Ik deed nog eens extra crème in mijn hand en schoot diep in haar broekje, over haar blote venusheuvel tot aan haar klitje en haar spleetje. Vind je dit lekker, vroeg ik. Ze bracht een zacht knorrend en instemmend geluidje voort wat zoveel wilde zeggen als ga maar door. Ik bleef met mijn vingers in haar broekje haar kutlippen en haar klitje beroeren. Vind je dit geil?

Ze bleef instemmend kreunen. Ik keek naar de visser die met zijn rug naar ons toe gekeerd was. Ik ga het nog even spannender maken voor jou zei ik.

Wat zullen de andere mensen wel niet denken? Maar ja niemand die ons hier kent. De mensen zullen van jou hetzelfde denken als wat wij gisteren van die twee vrouwen en eergisteren van die man dachten. Ik ondernam verder niets. Ik wist dat de gedachte alleen al haar enorm opgeilde. Ze bleef zwaar ademhalen, maar ik hoedde mij ervoor haar tot een orgasme te brengen.

Niet nu, dat was nog te vroeg. Haar bekken begon al wel mee te bewegen. Nu was het mijn beurt. Tot haar verbazing, en ongeduld, ging ik niet onmiddellijk tot de actie over. Ik bleef zachtjes met haar schaamlippen spelen en rond haar kutgaatje bewegen. Ze was te erg opgegeild om die consequenties echt in te schatten.

Ze richtte haar kontje van de grond en stroopte haar broekje naar beneden. Waarop ze zich terug op haar rug liet vallen en haar benen nog iets verder opende om mijn vingers hun werk te laten doen. Ik hoef je niet te vertellen dat ook ik bijna in mijn broek spoot van opwinding. Ze lag nu volledig bloot, in haar kale kut op het strand naast mij en ik vingerde haar.

Niet veel later kwam ze tot een climax waarbij ze het geluid zoveel mogelijk onderdrukte en daar nog goed in slaagde ook. Nadat ze een beetje was uitgehijgd, maakte ze aanstalten om haar bikinibroekje weer aan te trekken. De benen het ene moment braafjes naast mekaar, het andere moment ongegeneerd gespreid.

In de verte kwamen er een tweetal jongens aangewandeld. Hilde lag gelukkig met haar benen toe. Het begin van haar spleet was natuurlijk wel te zien. Naarmate de jongens naderden zag ik de ene de andere al zachtjes aantikken en voorzichtig in Hildes richting gebaren. Toen ze tot op zowat twee meter van ons genaderd waren deed Hilde niet uit haar boek opkijkend , als was het om mij te pesten, haar benen wijd uit elkaar.

De jongens kregen een vol zicht op haar blote kut. Zonder enige gêne passeerden ze ons terwijl hun blikken op haar spleet gefixeerd waren. Ze liepen nog een beetje verder, bleven dan even staan dralen en kwamen terug onze richting uit.

Ik verwachte even dat ze ons opnieuw zouden passeren. Ze hadden echter nog een beter plan. Ze spreidden hun handdoeken uit op het heuveltje achter ons. Daar waar gisteren de blote dames hadden gelegen.

Vandaaruit en vanachter het woestijngras, konden ze ons de hele middag gadeslaan en hadden ze een ticket op de eerste rij om mijn vrouw haar hete gaatje te bewonderen. Ze trokken hun kleren uit tot op hun zwembroek en liepen ons voorbij, goed kijkend uiteraard, de zee in.

Begrijpelijk dat die wat willen afkoelen, dacht ik. Ik overwoog om net hetzelfde te gaan doen toen, maar Hilde was mij voor met de mededeling dat zij ook even een frisse plons ging doen. Dit betekent, want dat hadden we afgesproken, dat ik ondertussen bij onze spullen moest blijven. We namen namelijk altijd al ons geld mee en we wilden het risico niet lopen dat we vervroegd naar huis zouden moeten rijden omdat iemand er met onze spullen vandoor was.

Hilde stond recht en wilde naar de zee lopen. Ik zei haar dat ze toch maar haar broekje moest aantrekken, maar eens temeer was haar wraak te zoet. In haar blote kont.

Met haar kale kutje. Was dit mijn Hilde nog? Wat was er in hemelsnaam met haar gebeurd? Nog twee mensen waar ze voorbij liep en ook de visser keken haar bewonderend of gniffelend na.

Gelukkig was ze snel in het water en liep het strand hier nogal snel af, waardoor alles beneden haar navel al gauw onder water zat. Ze verfriste zich even van top tot teen, ze ging kopje onder en sprong een beetje in de kleine golven van de Middellandse Zee. Daarbij kwamen gelukkig alleen maar haar borsten steeds boven water. Geen vijf minuten later zag ik dat de twee jongens meer en meer naar haar toe bewogen en even later waren ze een praatje aan het slaan.

Mijn vrouw en die twee snaken. Ondertussen snakte ik zelf meer en meer naar dat verfrissende water.

Ik voelde mij stilaan een rode kreeft worden. Na nog enkele minuten kwam Hilde terug naar mij gelopen. Lieve jongens, ze studeren Nederlands aan de universiteit, en vinden het daarom leuk om een praatje te kunnen slaan.

Mijn tweede grote flater die namiddag. Ik was nauwelijks in het water of die twee stuntels begonnen aanstalten te maken om eruit te gaan. Met mij is het blijkbaar minder leuk om een beetje Nederlands te praten. Tot mijn grote ergernis stonden ze een weinig later opnieuw met Hilde te praten.

Gelukkig lag die op haar buik en moesten ze zich dus tevreden stellen met een blik op haar kont, dacht ik. Terwijl ik in en uit het water dook, hield ik hen goed in het oog. Wat zouden ze te vertellen hebben, waarom beginnen ze met mij geen praatje, waarom vragen ze mijn naam niet? Wat ik daarna zag deed het bloed in mijn aderen zon 10 keer sneller lopen.

Ik zag een van die snaken de zonnecrème nemen en uitsmeren over de rug van Hilde. De andere stond lachend toe te kijken. Van in de verte zag Hilde dat ik het geheel stond gade te slaan. Ik zag hoe die jongen haar schouders insmeerde en een deel van haar rug. Ik wilde snel terug naar haar lopen, maar dat zou natuurlijk te belachelijk overkomen. Daarom dat ik zo rustig mogelijk terug uit het water op hen toe stapte.

Bij hen aangekomen ging die knaap gewoon verder met haar rug in te smeren. Terwijl hij haar zo insmeerde kwamen zijn handen steeds even in de buurt van haar blote kont. Het was me niet duidelijk of haar billen nu bij haar benen hoorden of bij het gedeelte dat Abelardo nog zou insmeren. Het werd me echter maar al te gauw duidelijk. Abelardo spoot nog eens flink wat zonnecrème in zijn handen en zei: De billen zijn veel witter dan de rest van haar lichaam, die moeten dus zeker extra beschermd worden.

Abelardo begon stevig haar billen in te smeren, alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Daarbij trok hij zich niets van mij aan en ging met de crème ook vlot door haar bilnaad. De andere jongen, Agustin, stond er verlegen lachend bij. Je zag hem denken, wat voor een oen is die Belg, dat hij dat allemaal laat doen.

De adrenaline, opgewekt door jaloezie en opwinding, raasde door mijn lichaam. Ze konden toch niet doen alsof dit normaal was. Ik zag duidelijk aan de bobbels in hun zwembroek dat ze allebei een paal van jewelste hadden. Het ergste was dat ik daar ook met een erectie stond.

Dat was zomaar niet insmeren wat Abelardo daar deed, dat was van haar billen profiteren, strelen, kneden, masseren. Abelardo eindigde met nog wat extra crème op zijn wijsvinger te smeren. Met de andere hand hield hij haar billen even van mekaar. Met zijn drieën hadden we nu een perfect zicht op haar kontgaatje. Zeer traag smeerde Abelardo de crème met zijn wijsvinger uit door haar bilnaad. Daarbij leek het zelfs of zijn vinger eventjes bleef haperen aan haar anus.

Ik kon me niet langer bedwingen, nam de crème af, duwde hem weg en zei dat het zo wel genoeg geweest was. Ontdaan stond Abelardo recht en deed een stap achteruit. Wij wilden alleen maar even helpen. Wij wilden goed doen voor jullie. Die vriendelijke mensen wilden alleen maar helpen en ik stelde me aan als een bullebak. Ik voelde mij tegelijkertijd ongemakkelijk en verongelijkt, maar ik begon dan toch maar haar benen in de smeren.

De jongens maakten echter geen aanstalten om terug naar hun plaats te gaan. Gerustgesteld door de uitval van Hilde tegen mij, zetten ze zich terug neer bij ons. Ze vervolgden hun communicatie met Hilde, vroegen honderduit over waar we woonden, hoe het leven in België was, ze vertelden dat ze later tolk wilden worden, Spaans, Engels, Nederlands. Zolang die knapen bij ons bleven zitten was het voor mij onmogelijk om even een duchtig woordje te wisselen met Hilde.

Maar wat zou ik kunnen zeggen. Het broekje uitdoen en uit laten was mijn idee geweest Hilde lag nog steeds op haar buik terwijl ze met hen praatte, maar ze begon zich van tijd tot tijd meer op haar zij te keren, waarbij die jongens dan weer een blik kregen op haar borsten en soms ook op haar kale venusheuvel. Agustin zat al pratend over koetjes en kalfjes vaak ongegeneerd met zijn hand in zijn zwembroek, als moest hij een en ander terug goed steken. Na een halfuurtje zei Hilde dat ze weer in het water zou gaan.

En natuurlijk, vonden die twee dat een goed idee. Beleefd vroegen ze me of ik mee wou gaan, maar Hilde zei dat ik op onze spullen moest letten. Dat begrepen ze allebei, ze voegden er nog aan toe dat er wel vaker een en ander gestolen werd op de stranden en dat we maar best goed moesten oppassen.

Overigens, vooruit Agustin, wij zullen solidair zijn en onze zwembroeken ook uittrekken. Ze waren allebei een stuk beter geschapen dan ik en ze konden tot overmaat van ramp dan nog rekenen op een bewonderende blik van Hilde: Ze liepen met z’n drieën naar het water en ik hoorde Abelardo haar nog lachend vragen of meneer dan maar een kleintje had.

Vanaf het strand sloeg ik hen gade. Die twee Spaanse lullen met mijn Hilde. Ze speelden in het water, ze sloegen met water naar elkaar en ze gierden het uit. Erger was het wanneer ik soms een van de drie hoofden onder water zag verdwijnen. Dan begon ik mij van alles te verbeelden. Zou Hilde onder water aan hun lullen zitten?

Ik vond dat die jongens soms vreselijk enthousiast reageerden als zij niet in zicht was. Ze maakten daarbij zon kabaal dat zij de aandacht genoten van iedereen die op het strand aanwezig was. Plots was weer het hoofd van Agustin verdwenen.

Het volgende ogenblik zag ik mijn vrouw uit het water oprijzen, zittend in de nek van Agustin die dus tussen haar benen was doorgezwommen. Ze zat dus met haar kale kut in de nek van die jongen. Hoe moet dat aanvoelen. Ze zat voorovergebogen zodat haar borsten op zijn hoofd rustten.

Gillend vielen ze beiden achterover terug het water in. Hilde liep een beetje terug naar het ondiepere gedeelte maar ze werd snel ingehaald door hen. Agustin nam haar beide armen vast en Abelardo nam haar beide benen vast. Die moet een fenomenaal zicht gehad hebben op haar blote kutje. Ze wiegden haar lang genoeg om van het zicht te profiteren om haar vervolgens los te laten zodat ze goed en wel een meter verder terug het water in plofte. Het was genoeg geweest voor mij.

Ik riep hen gebaarde haar, naar mijn uurwerk wijzend, dat het tijd was om te vertrekken. Langzaam kwamen ze uit het water en stapten ze op mij toe. De lullen van die jongens waren zo mogelijk nog gegroeid. Toen ze bij me kwamen, gaf Hilde me onmiddellijk een dikke knuffel. En of wij die jongens ook in het dorp konden afzetten? Ik kon niet anders dan instemmen.

De jongens en ik hadden onze kleren terug aangetrokken, maar Hilde maakte geen aanstalten om dat te doen. Alsof ze het hadden afgesproken haastte Agustin zich om zich naast mij te zetten, waardoor Hilde en Abelardo beiden achteraan in de wagen terechtkwamen. Daar zat mijn vrouw dus, in haar nakie naast een vreemde was het nog een vreemde man.

Zwijgend vertrok ik en reed ik richting stad. Ik probeerde hen zoveel mogelijk via de achteruitkijkspiegel gade te slaan, maar moest mijn ogen toch te veel op de weg houden. Wat er met de handen op zetelniveau gebeurde, daar had ik geen zicht op. Ik hoorde alleen maar af en toe wat gegiechel, en dat ging me door merg en been.

Alvorens we in de stad aankwamen en de jongens er dropten had Hilde zich terug aangekleed. We namen afscheid van Abelardo en Agustin, tijdelijk maar want s avonds zouden we hen terug ontmoeten op het strand. Ze kregen allebei een hele dikke zoen van mijn vrouw. Ik kende haar haast niet meer. Die avond echter zou ze me nog meer verrassen. Aan het licht dat binnenscheen in mijn hotelkamer aan de Costa Brava kon ik uitmaken dat het zeker geen ochtend maar al lang middag was.

Ik had een stekende hoofdpijn en Hilde was nergens te bespeuren. Ik probeerde mij voorzichtig een en ander te herinneren. Gisteravond waren we nog naar het strand gereden voor die barbecue met Abelardo en Agustin. Laat ik ze voor het gemak maar A² noemen dacht ik en ik moest nog lachen om mijn eigen spitsvondigheid.

Hoe was het ook weer allemaal begonnen? Nadat we A² hadden afgezet in het stadje waren we terug naar ons hotel gereden. Hilde voelde dat ik zeer slecht gezind was op haar en begon me in de wagen al te paaien. Ik heb alleen maar gedaan wat we hadden afgesproken: Dat insmeren met die zonnecrème, daar moest ik niet over zeuren, daar was ik zelf bij geweest en eigenlijk was er niets gebeurd. Op dat ogenblik legde ze haar hand in mijn kruis en neep ze eens goed in mijn lul.

Op de hotelkamer aangekomen duwde ze me onmiddellijk op het bed en we neukten zoals we dat in lang niet meer gedaan hadden. Het leek wel of ik bleef komen in die blote kut van haar.

Toen ze rechtstond en naar de badkamer liep zeek mijn zaad eruit. Ik gaf haar wel gelijk. Ik had het een beetje zelf gezocht, en eigenlijk was er niets gebeurd. Toen ze vanonder de douche kwam vroeg ze me om het s'avonds, op de barbecue een beetje rustig aan te doen, en vooral om beleefd en vriendelijk te blijven tegen Abelardo en Agustin. Ik beloofde het haar maar vroeg haar tevens om zelf ook een beetje terughoudender te zijn en geen frivole toestanden meer uit te halen met Abelardo en Agustin.

Nadat ik mij verfrist had, nam ik nog een whisky, en nog een tweede terwijl zij nog haar haar stond te drogen. Toen zijn we vertrokken naar het strand. Abelardo en Agustin stonden ons op te wachten. Ze hadden er wel hun werk van gemaakt. Tapijten op het zand uitgespreid. Schotels met gamba’s en allerhande zeevruchten, een grote punch Sangria en enkele flessen whisky. Ze waren niet met z’n tweeën, maar met z’n drieën. Een derde persoon met een videocamera die ons al stond te filmen toen we toekwamen.

Ik weet nog hoe alles er zeer beleefd en helemaal anders aan toe ging als s middags. Hilde, ditmaal in jeans en t-shirt, gedroeg zich aangenaam maar voorbeeldig terughoudend. Alsof s middags niet bestaan had. Ze week nauwelijks van mijn zijde. We praatten een tijdje over wat we aan bezienswaardigheden zeker nog zouden moeten zien en we dronken een aantal glazen terwijl Agustin de gamba’s begon te grillen.

We poseerden met z’n vieren voor de videocamera, met in onze rug de middellandse zee en de ondergaande zon. En we dronken nog een glas. Ik had het nogal in de whisky gezien en misschien daardoor dat ik van de rest van het feestje niet zoveel meer weet Daar zat ik dan alleen in mijn hotelkamer, met kater en zonder Hilde.

Ik probeerde de verdere gebeurtenissen van de avond ervoor voor ogen de halen maar het lukte mij niet. Vaag herinnerde ik mij nog dat ik na een tijdje mijn glas niet meer vond en daarom maar recht uit de fles was gaan drinken. Na wat rond stommelen in onze hotelkamer en na een verfrissende maar lang niet helende douche viel mijn oog op een briefje op het nachtkastje.

Mn beste schatje, Ik heb je je roes maar laten uitslapen nadat ik je vanmorgen verschillende keren probeerde te wekken. Ik heb de auto genomen en ben naar het strand gereden.

Ik kan hier moeilijk de hele dag op de hotelkamer blijven zitten kniezen naast een snurkend drankorgel. By the way, ik vind echt niet dat je je gisteren aan onze afspraak hebt gehouden, kan je mij natuurlijk niet kwalijk nemen dat ik dat ook niet gedaan heb. Je weet het, afspraak is afspraak. Als je wil zien hoe je je gisteren gedragen hebt, en je wil ook nog even een indruk van hoe de avond is afgelopen, bekijk dan de video maar even.

Hij zit al in de player want ik hem er mij vannacht ook nog even mee geamuseerd. Ik begon al snel te ontnuchteren. Mijn hart klopte tegen tienduizend per uur toen ik de video begon te bekijken.

Ik zag hoe we aankwamen en hoe alles nog oke was. Ik zag hoe Hilde zich meer dan voorbeeldig gedroeg. Ik zag mezelf meer en meer whisky drinken. Ik zag nog hoe we samen poseerden tegen de zonsondergang. Ik zag mezelf opnieuw whisky drinken, even later gewoon van de fles.

Ik zag mezelf de eerst scampi’s op mijn bord terug in de zee gooien en roepen: Ik zag hoe glazig mijn ogen stonden en ik zag mezelf neervallen in het zand. Hilde kwam naar mij en probeerde me wakker te krijgen. Abelardo stapte op haar toe en legde troostend een arm om haar schouder. Agustin probeerde mij eveneens wakker te krijgen, maar stelde de anderen gerust, het was gewoon een roes die moest uitgeslapen worden.

Ze lieten me maar even liggen. Ze aten gezamenlijk verder. Hilde weende al niet meer en liet zich de talrijke vissen goed smaken. Ze kreeg regelmatig een glas sangria aangereikt en ze geraakte zelf ook behoorlijk in de wind, maar net niet te.

Zo bleef het gezellig. Abelardo nam zijn gitaar erbij en het leek echt wel een sprookjesachtige avond. Hilde begon zachtjes rond het vuur te dansen, eerder wiegen. De camera bleef op haar gericht. Het had allemaal iets heel sensueels.

Tot de camera weer even om mijn slapende persoon werd gericht, ik hoorde licht gelach op de achtergrond. Omdat Hilde zo dicht rond het vuur danste kreeg ze het ook behoorlijk warm en ik zag haar plots, onder de aanmoedigende kreten van de anderen, haar t-shirt omhoog trekken tot boven haar blote borsten.

Na nog een poosje trok ze het t-shirt helemaal uit en stond ze in haar blote tieten te wiegen naast het vuur. Het olé was niet uit de lucht. Toen stapte ze op mij af en ging wat plagend met haar borsten over mijn hoofd hangen.

Zodanig dat haar tepels steeds langs mijn neus schuurden. Geen reactie van mijnentwege tot groot jolijt en geboe van de anderen. De camera was nog steeds op haar gericht, en al dansend liep ze op de camera af en ze drukte haar borsten haast tegen de lens. Ik kreeg in ieder geval een van haar tepels bigger than life op mijn tv-scherm in beeld. Het huilen stond me nader dan het lachen. Waarom moest ik mij ook zo bedrinken? Kon ik boos zijn op haar? Was dit alles niet mijn eigen schuld?

Ook Hilde struikelde even en viel in het zand. Agustin was het eerst bij haar om haar recht te helpen, maar tegelijkertijd pakte hij haar stevig bij haar borsten en kneep er eens goed in. Hij stond nu achter haar met zijn beide handen om haar borsten en zijn vingers rond haar tepels. De camera frontaal op hen gericht. Hilde keerde haar hoofd zijdelings en kuste hem innig op de mond.

Olé, klonk het weer. Agustin voelde zich nu de ster van de film en liet zijn handen naar onderen glijden naar de knop van haar jeans. Die werd even snel losgemaakt als haar rits en in geen tijd stond Hilde in haar slipje. Ze had haar meest sexy rode string aangetrokken en ik zag hoe Agustin zijn bekken naar voren duwde tegen haar blote billen aan.

Hij wilde net met zijn handen in haar slipje gaan als Hilde hem wegduwde en gebaarde dat hij moest blijven zitten. Ook de cameraman ging zitten. De camera werkte nu vanuit kikvorsperspectief. Mijn vrouw werd gefilmd van onder naar boven.

Tergend plagend ging ze boven de camera wiegen. Ze speelde met haar slipje en trok het strak in haar kruis zodat je doorheen de dunne stof haar schaamlippen duidelijk afgetekend zag. Eén schaamlip slipte trouwens een beetje naast de stof naar buiten. En die camera maar inzoomen. Toen draaide ze zich weg van de camera. Mijn tv gaf nu een prachtig beeld van haar heupwiegende kont. Opnieuw stapte ze langzaam op mij toe. Ze ging schrijlings boven mij zitten, opende mijn broek en haalde mijn levenloze lul eruit.

Ze nam hem even vast, haalde haar schouders op en keek veelbetekenend naar de camera, alsof ze zeggen wou, wat moet ik daar nu mee. Voor mij was de vernedering nu compleet. Boeh, riepen de anderen en lachten. Ze richtte zich terug naar de camera en begon met haar slipje te spelen. De laatste tease van de strip. Langzaam, heel langzaam begon ze het uit te trekken tot ze voor de tweede maal die dag helemaal in haar blootje stond voor een vreemd gezelschap.

De camera zoemde in op haar natte spleet. Maar de camera werd nog meer verwend. Ze stapte op de camera toe, haalde haar vinger zachtjes door haar spleet en hurkte met haar opengesperde kut tot net boven de lens. Nu had ik haar kut beeldvullend op mijn scherm. Doordat ze ook vlak bij de microfoon was kon je het soppende geluid dat haar vinger aan haar kut maakte ook zeer goed horen.

Vervolgens kroop ze naar Abelardo, de camera nu op haar kruipende achterste gericht, zodat haar kut en haar kontgaatje zeer goed zichtbaar waren.

Ze begon aan zijn broek te friemelen en even later had ze er een zeer grote stijve paal uitgehaald, die ze als gek begon te pijpen. Ze trok zijn broek verder uit en begon ook zijn ballen te likken terwijl haar handen zich met zijn paal bezighielden. Ondertussen had Agustin achter haar plaatsgevat en hij begon zich vrolijk met haar spleet bezig te houden.

Hij bevingerde haar en befte haar en keek daarnaast ook vaak veelbetekenend naar de camera, alsof hij wist dat ik dit later allemaal te zien zou krijgen. Hij nam een gepelde scampi, stak die even in haar kutje om hem daarna met een vette knipoog naar de lens, in zijn mond te steken. Tot drie vingers tegelijkertijd liet hij in en uit haar kut glijden. Toen verwisselden Abelardo en hij van positie.

Mijn vrouw begon nu Agustin te pijpen terwijl ze vanachter in haar kut genomen werd door Abelardo. Ze moet het verschil in grootte tussen mij en hem wel degelijk gevoeld hebben want ik heb haar lang niet meer zo horen hijgen. Na een poosje spoot Abelardo zijn hele lading in haar kutje. Abelardo liet zich opzij in het zand vallen. Terwijl Hilde Agustin verder bleef afzuigen, ging ze met haar hand tussen haar benen en speelde ze met het zaad van Abelardo.

Even later kwam ook Agustin. Hij spoot zijn kwakje recht in haar gezicht. Hilde perste de laatste druppel uit zijn fluit en slikte het in.

Ik wist niet wat ik zag. Haar andere hand, met het zaad van Abelardo aan bracht ze naar haar mond en likte ze af. Daarna liep ze naar het water en ze spoelde zich helemaal af, waarna ze zich tussen hen beide in aan het vuur vleide. Wezenloos zat ik naar de video te kijken. Ik zag ook nog hoe op de volgende beelden, geschoten door Agustin, de cameraman zich even goed amuseerde met Hilde.

Hoe hij haar op zijn hondjes nam en ook zijn zaad in haar kut deponeerde. Ik zag hen spelletjes doen door scampi’s in haar muis te steken en eruit te eten. Ze genoot er duidelijk van. Abelardo die zijn lul in de sangria stak en zij die hem vervolgens proper likte. Agustin die haar schaamlippen helemaal spreidde en de camera die daar nog eens tussenin ging filmen.

Hilde die zich schrijlings op mijn gezicht zette en wat heen en weer begon te wiegen. De anderen trokken haar eraf, en zegden dat dit gevaarlijk kon zijn, ik zou kunnen stikken. Agustin die een scampi naast mijn slappe lul hield en zei dat de scampi toch groter was. Zij die mijn lul nog eens vast nam en vroeg of er nog een plaatsje op de grill vrij was.

En ik die daar stomdronken lag en niet reageerde. Ze waren blijkbaar nog veel van plan met mijn Hilde, maar ik hoorde haar zeggen dat het al laat genoeg was en dat ze met dat drankorgel nog naar het hotel moest geraken.

Op de volgende beelden zag ik Abelardo en Agustin mij naar de auto sleuren. Mijn vrouw kuste hen nog, uitgebreid tongen is een beter woord, en het slotwoord was: Dat was het einde van de video. Hier zat ik nu, moederziel alleen op mijn dure hotelkamer.

Ik durfde nauwelijks naar het onthaal te gaan. Waarschijnlijk zou een van hen mij s nachts uit de auto naar boven gedragen hebben. Na het nogmaals bekijken van de pijnlijke video, na het nuttigen van zeker 5 glazen water jawel , na het nemen van een lange en koude douche was mijn kater min of meer weggewerkt en liet ik mij een taxi bellen, aangezien Hilde zich de auto toegeëigend had. Ik liet me achtereenvolgens naar enkele winkels en het postkantoor voeren om me dan tenslotte te laten droppen aan “ons strandje” waar onze wagen, zoals te verwachten was, geparkeerd stond.

De taxi verdween en ik liep, gekleed in jeans en t-shirt, schoenen en kousen in de hand, het gloeiende strand op. In de verte zag ik onmiddellijk Hilde en haar Spaanse vrienden zitten, in een kring met nog enkele meisjes en jongens.